Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200005448/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200005448/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 25 oktober 2000 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 1999 hebben burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau (hierna: burgemeester en wethouders) bouwvergunning verleend aan de woonstichting Leyakkers (hierna: vergunninghoudster) voor het oprichten van zes appartementen aan de De La Sallestraat te Baarle-Nassau op het perceel, kadastraal bekend sectie C, nr. 2039 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 december 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor Bezwaar- en Beroepschriften van 19 november 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 25 oktober 2000, verzonden op 27 oktober 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 november 2000, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2002, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hogerberoepschrift is ingediend door H.J. Marcus, namens [appellant] en 29 anderen. Nu de 29 anderen geen beroep hebben ingesteld en er geen grond bestaat voor het oordeel dat hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, kunnen zij, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), geen hoger beroep instellen. Hun hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. Ter zitting is komen vast te staan dat bij besluit van 24 januari 2002 aan vergunninghoudster opnieuw een bouwvergunning is verleend. Deze bouwvergunning heeft betrekking op het oprichten van twee woningen onder één kap op het perceel. Deze bouwvergunning is inmiddels onherroepelijk geworden en met de uitvoering van dat bouwplan is een aanvang gemaakt. Bij schrijven van 11 april 2002 heeft de vergunninghoudster burgemeester en wethouders verzocht om de in het geding zijnde bouwvergunning met betrekking tot de bouw van zes appartementen op het perceel, in te trekken. De heer en mevrouw [appellant] hebben een afschrift van dit schrijven ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Afdeling tot de slotsom dat de heer en mevrouw [appellant] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun hoger beroep. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan appellanten belang hebben bij de beoordeling van het gestelde in hoger beroep.

2.3. Het hoger beroep van de heer en mevrouw [appellant] is niet-ontvankelijk.

2.4. In de omstandigheid dat het procesbelang is vervallen kan reden zijn gelegen over te gaan tot een proceskostenveroordeling indien het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoet gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders zouden moeten worden veroordeeld in de door de heer en mevrouw [appellant] gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Bastein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

13-378.