Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200106253/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106253/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Gouda, op voorstel van burgemeester en wethouders van 20 februari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Facet-bestemmingsplan Prostitutie". Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 16 oktober 2001, kenmerk DRGG/ARB/01/3147A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 maart 2002 hebben verweerders meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft een verweerschrift uit te brengen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2002, waar appellanten beiden in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.M. de Haas-Rood, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad mr. H.J.C.M. Kosman, ambtenaar van de gemeente, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestemmingsplan bestaat uit een aanvulling op de voorschriften van alle bestemmingsplannen in de gemeente. De voorschriften houden een verbod voor seksinrichtingen in met uitzondering van reeds bestaande seksinrichtingen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten voeren in beroep aan dat verweerders de gebruiksregeling in het bestemmingsplan voor de percelen [locatie 1], bovenste verdieping, en [locatie 2], gehele pand, ten behoeve van een seksinrichting, ten onrechte hebben goedgekeurd. De regeling komt volgens hen neer op een uitbreiding van de bestaande seksinrichting. Van dit gebruik ondervinden zij overlast. Verweerders hadden hun goedkeuring volgens appellanten moeten beperken tot het perceel [locatie 1], begane grond en eerste verdieping.

2.4. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan alleen voorziet in een verbod om extra seksinrichtingen in de gemeente te vestigen met uitzondering van de bestaande. De bestaande inrichting aan de [locatie 1] en [locatie 2] zal in het nieuwe bestemmingsplan “Binnenstad-west” dienovereenkomstig worden bestemd.

2.5. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij stellen dat de inrichting aan de [locatie 1] en [locatie 2] overeenkomstig het gemeentelijke prostitutiebeleid is uitgezonderd van het bordeelverbod. De binnenstad is een gebied met gemengde functies, waarbinnen een seksinrichting past. De overlast is volgens verweerders aanvaardbaar en wordt bovendien geregeld in de Algemene plaatselijke verordening.

2.6. De percelen [locatie 1] en [locatie 2] zijn gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Binnenstad-west”, zoals vastgesteld op 23 maart 1987 en goedgekeurd op 17 november 1987. Artikel 25, eerste lid, van de voorschriften van dit bestemmingsplan wordt met het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan aangevuld met artikel B, eerste lid, van de planvoorschriften waarin is bepaald dat onder verboden gebruik in elk geval wordt verstaan het gebruiken of laten gebruiken van de bouwwerken en de onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting. Ingevolge artikel B, derde lid, onder a, van de voorschriften van het voorliggende bestemmingsplan is dit verbod niet van toepassing op de bestaande seksinrichtingen, zoals onder meer de seksinrichting aan de [locatie 1] en [locatie 2], zoals aanwezig ten tijde van het van kracht worden van het voorliggende bestemmingsplan, met dien verstande dat een omvorming naar of een toevoeging van een seksbioscoop, sekstheater of seksautomatenhal in deze bestaande seksinrichtingen niet is toegestaan.

2.6.1. Voorzover appellanten van mening zijn dat de seksinrichting aan de [locatie 1] en [locatie 2] met het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan planologisch ten onrechte wordt toegelaten, kan het beroep niet slagen. Met het onderhavige bestemmingsplan worden deze percelen niet zodanig bestemd dat een seksinrichting wordt toegestaan. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de bestemmingsplanregeling voor deze percelen zal worden gewijzigd in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Binnenstad-west”.

2.6.2. Wat betreft het bezwaar dat het gebruiksverbod in artikel B, eerste lid, van de planvoorschriten ook van toepassing had moeten worden verklaard op de bovenste verdieping van het pand op het perceel [locatie 1] en het gehele perceel [locatie 2], overweegt de Afdeling het volgende.

Naar aanleiding van de afschaffing per 1 oktober 2000 van het bordeelverbod heeft de gemeenteraad op 25 september 2000 prostitutiebeleid vastgesteld. Daarmee is besloten de drie in Gouda bestaande seksinrichtingen te handhaven en te legaliseren en een toeneming van het aantal seksinrichtingen tegen te gaan. Ter ondersteuning van het beleid is het thans in geding zijnde bestemmingsplan vastgesteld.

Niet in geding is dat de percelen [locatie 1] en [locatie 2] op het moment van het in werking treden van het bestemmingsplan feitelijk in gebruik waren als seksinrichting in de door appellanten bestreden omvang. De inrichting kon in redelijkheid in zijn geheel als een bestaande inrichting in de zin van het bestemmingsplan worden aangemerkt. Dat het gebruik in het verleden beperkter was, kan hier niet aan afdoen. Evenmin kan hier aan afdoen, zoals onomstreden is, dat alleen het gebruik van de percelen [locatie 1], gehele pand, en [locatie 2], begane grond, als seksinrichting onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan “Binnenstad-west” valt. Voor het gebruik als seksinrichting van het perceel [locatie 2], eerste en bovenste verdieping is een vrijstellingsprocedure in gang gezet. Daarbij betrekt de Afdeling voorts dat voor het gebied waarin beide percelen zijn gelegen, een bestemmingsplan in voorbereiding is, waarin het gebruik van beide percelen als seksinrichting wordt toegelaten, zodat aangenomen mag worden dat dit gebruik ook planologisch wordt geregeld.

Over de overlast vanwege de seksinrichting hebben partijen tegengestelde standpunten. Door appellanten is verklaard dat de politie niet in alle gevallen de gedane klachten registreert, terwijl van de zijde van de gemeenteraad ter zitting is verklaard dat klachten wel worden geregistreerd en dat zonodig wordt opgetreden. Wat van dit verschil in standpunten ook zij, de Afdeling is niet gebleken dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat geen sprake is van een zodanige overlast dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gehandhaafd.

Verweerders hebben er zodoende bij de besluitvorming over de goedkeuring van het plan mee kunnen instemmen dat de gemeenteraad het gebruiksverbod in artikel B, eerste lid, van de planvoorschriften geen ruimere toepassing heeft gegeven ten aanzien van de percelen [locatie 1] en [locatie 2].

2.6.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorzover bestreden door appellanten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. van Onselen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

178-371.