Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4860

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200104323/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/1802
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104323/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Heemstede,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 13 juli 2001 in het geding tussen:

[verzoeker sub 1 en verzoeker sub 2], beiden wonend te [woonplaats], en [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 1998 heeft appellant op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] schadevergoedingen toegekend.

Bij besluit van 28 mei 1998 heeft appellant op grond van artikel 49 van de WRO aan [verzoeker sub 2] een schadevergoeding toegekend.

Bij besluit van 26 november 1998 heeft appellant naar aanleiding van de daartegen door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 2] (hierna ook: verzoekers) gemaakte bezwaren - en na herroeping bij besluit van 24 september 1998 van de besluiten van 26 maart en 28 mei 1998 - voorzover hier relevant aan [verzoeker sub 1] een schadevergoeding toegekend van ƒ 65.000,00/€ 29.495,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 20 juni 1996 tot 1 december 1998, te weten ƒ 8.594,25/€ 3.899,90 (in totaal ƒ 73.594,25/€ 33.395,61), aan [verzoeker sub 3] een schadevergoeding toegekend van ƒ 65.000,00/€ 29.495,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 11 november 1997 tot 1 december 1998, te weten ƒ 4.022,88/€ 1.825,50 (in totaal ƒ 69.022,88/€ 31.321,22) en aan [verzoeker sub 2] een schadevergoeding toegekend van ƒ 78.000,00/ € 35.394,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 8 april 1998 tot 1 december 1998, te weten ƒ 2.833,64/€ 1.285,85 (in totaal ƒ 80.833,64/€ 36.680,71). Daarbij heeft appellant tevens de planschadeclaim van [verzoeker sub 2] van ƒ 200.000,00/€ 90.756,04 alsmede een vergoeding voor kosten van juridische bijstand voor het overige afgewezen. Dit besluit en de adviezen van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 9 september 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen door verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de raad opgedragen binnen tien weken na de datum van verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 november 2001 hebben verzoekers een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 21 februari 2002 heeft appellant het hoger beroep, voorzover het zich richt tegen onderdeel 2.7 van de aangevallen uitspraak, ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.E. Hopman en J. ter Haak, gemachtigden, en verzoekers, bij monde van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] in persoon en mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Verzoekers hebben verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardevermindering ten gevolge van de bepalingen van het - op 7 juli 1997 bij uitspraak van de Afdeling van die datum in zaak no. E01.95.0192 in rechte onaantastbaar geworden - bestemmingsplan "Centrum" waardoor op hun perceel grond, gelegen aan de [locatie] te [plaats], de bestemming "Tuin" is komen te rusten. Op dat perceel rustte ingevolge het bestemmingsplan "Binnenweg en omgeving" de bestemming "Woondoeleinden, categorie II 7 (t)".

2.3. Bij het, als beslissing op bezwaar aan te merken, besluit van 26 november 1998 heeft appellant schadevergoedingen toegekend. Bij de besluitvorming is voor de vaststelling van de waardevermindering 26 mei 1995 als peildatum gehanteerd, nu tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten geen beroep is ingesteld voorzover het de bestemmingen aan de [locatie] betreft. Voorts is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 1994 in zaak no. G09.92.0005 (BR 1995, 236) uitgegaan van wat een redelijk handelend koper van de grond, bij een bouwmogelijkheid van één woning, zou hebben geboden. Tevens is onder meer als uitgangspunt gehanteerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 1996 in zaak no. G09.93.0147, dat voor de vaststelling van de onroerend goedbelasting andere normen gelden. Eveneens is ervan uitgegaan dat de eigendomsverdeling op het moment van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan maatgevend is en de eigendomsverkrijging voorzover deze niet volgens wettelijk erfrecht is geschied vanwege risico-aanvaarding buiten beschouwing dient te blijven.

2.4. De rechtbank heeft, naar aanleiding van het betoog van verzoekers dat bij de besluitvorming van een bouwmogelijkheid van twee woningen had moeten worden uitgegaan, overwogen - samengevat weergegeven - dat op de bestemmingsplankaart de perceelsgrens verkeerd is ingetekend en daardoor op de tekening een foutieve bebouwingsbreedte van het bouwvlak is ontstaan, dat de feitelijke situatie anders dan die op de plankaart wel de mogelijkheid biedt om zonder vrijstelling twee woningen op het perceel te bouwen en hierom een ieder, dus ook een redelijk denkend en handelend koper, ervan zou mogen uitgaan dat in ieder geval voor het bouwen van een dubbel woonhuis op het perceel vrijstelling zou worden verleend.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de grief van verzoekers dat appellant zelf de huidige waarde van de grond in het kader van de onroerende zaaksbelasting op ƒ 14.000,00/€ 6352,92 heeft gesteld, in zoverre doel treft dat het verschil tussen de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ)-waarde en de waarde van het perceel met de bestemming "Tuin" dusdanig groot is dat dit nadere toelichting behoeft, waarbij van belang is dat verzoekers het perceel grond bij gebreke van een bij die tuin behorende woning niet in overeenstemming met de nieuwe bestemming kunnen gebruiken, hetgeen een sterk waardeverminderend effect zal hebben.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de zonen [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 3] hun eigendomsaandeel in het onderhavige perceel geheel en al onder algemene titel hebben verkregen, zodat geen sprake is van enige risico-aanvaarding en derhalve appellant bij het toekennen van de schadevergoeding een onjuiste verdeelsleutel heeft gehanteerd.

Tevens heeft de rechtbank overwogen dat bij de taxaties een onjuiste peildatum is gehanteerd. Nu het bestemmingsplan bij uitspraak van de Afdeling op het beroep tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten vanaf 7 juli 1997 in rechte onaantastbaar is geworden, had die datum als peildatum moeten worden gehanteerd, aldus de rechtbank.

2.5. Appellant heeft betoogd dat de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bouwmogelijkheid innerlijk tegenstrijdig en onjuist zijn. Naar zijn mening biedt de feitelijke situatie niet de mogelijkheid om zonder vrijstelling twee woningen op het perceel te bouwen en valt niet in te zien waarom een redelijk denkend en handelend koper ervan zou moeten uitgaan dat vrijstelling zal worden verleend als deze niet nodig is.

Verder heeft appellant betoogd dat niet valt in te zien hoe de besluitvorming op het punt van het verschil tussen de taxatie in het kader van artikel 49 van de WRO en die in het kader van de WOZ van een nadere motivering kan worden voorzien, nu de rechtbank niet heeft aangegeven waarom de jurisprudentie van de Afdeling op dit punt niet van toepassing is.

Met betrekking tot de peildatum heeft appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van 21 december 1999 in zaak no. H01.99.0245 (AB 2000/78), betoogd dat, nu een eventuele bouwaanvraag na de inwerkingtreding doch voor de beslissing op het beroep aan het nieuwe bestemmingsplan had moeten worden getoetst, het effect van de schadeveroorzakende planologische wijziging op het moment van inwerkingtreding manifest wordt en dus de juiste peildatum is gehanteerd.

2.5.1. Appellant heeft zijn betoog gericht tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot risico-aanvaarding en de gehanteerde verdeelsleutel, voor de zitting ingetrokken.

2.6. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hiertoe behoren ook de in de bestemmingsplan-voorschriften opgenomen vrijstellingen. Geen aanleiding bestaat om in dit geval niet van de concrete bouwmogelijkheden uit te gaan en de waardevermindering uitsluitend aan de hand van het criterium van wat een redelijk handelend koper voor de grond zou hebben geboden, te bepalen. Omstandigheden als die hebben geleid tot bovengenoemde uitspraak van 26 mei 1994 doen zich hier niet voor.

Voorts biedt artikel 49 van de WRO - zoals reeds meermalen is overwogen; bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 april 1999 in zaak no. H01.97.0279 (BR 2000, 56) - uitsluitend een grondslag voor schadevergoeding ten gevolge van onder meer de bepalingen van een bestemmingsplan, nadat dit plan in rechte onaantastbaar is geworden. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover thans anders te oordelen. De dag waarop het nieuwe plan in rechte onaantastbaar wordt, in het onderhavige geval 7 juli 1997, heeft als peildatum te gelden en de rechtbank heeft terecht vastgesteld dat in dit geval bij de taxaties een onjuiste peildatum is gehanteerd. Het betoog van appellant op dit punt faalt derhalve.

Het voorgaande brengt met zich dat bij de planvergelijking moet worden uitgegaan van de planologische regimes zoals die onherroepelijk zijn vastgesteld. Aan het feit dat de perceelsgrens op de bij het bestemmingsplan "Binnenweg en omgeving" behorende bestemmingsplankaart verkeerd is ingetekend - hetgeen tussen partijen niet in geschil is - komt geen betekenis toe. Gezien de grootte van het perceel, het in de plankaart aangegeven bouwvlak en de in de planvoorschriften gestelde eis dat de voorgevelbreedte van een woonhuis ten minste 6.50 m moet bedragen en van die eis geen binnenplanse vrijstelling kan worden verleend, moet worden vastgesteld dat het bestemmingsplan een dubbel woonhuis niet toeliet. De rechtbank heeft dit miskend. Met recht is bij de waardebepaling van een bouwmogelijkheid van één woning op het onderhavige perceel uitgegaan. In zoverre slaagt het betoog van appellant.

Blijkens de stukken betreft de taxatie van de waarde van het onderhavige perceel op ƒ 14.000,00/€ 6352,92 niet een taxatie in het kader van de WOZ, maar het resultaat van een op bezwaar van [verzoeker sub 2] naar beneden bijgestelde taxatie met als peildatum 1 januari 1991 in het kader van de Verordening onroerende zaakbelastingen 1995. Terecht heeft appellant zich, gezien de jurisprudentie van de Afdeling, op het standpunt gesteld dat voor een dergelijke taxatie andere normen gelden en die taxatie buiten beschouwing gelaten. Dit zou mogelijk anders zijn, indien sprake was geweest van taxaties in het kader van de per 1 januari 1995 in werking getreden WOZ. De rechtbank heeft dit miskend. Ook in zoverre slaagt het betoog van appellant.

2.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het betoog van appellant gedeeltelijk slaagt, doch dat de rechtbank, zij het op gedeeltelijk onjuiste gronden, terecht het beroep gegrond heeft verklaard en de beslissing op bezwaar heeft vernietigd, zodat de uitspraak in zoverre - zij het onder verbetering van gronden - in stand kan blijven.

Echter bij de te nemen beslissing op bezwaar zal door de raad - in afwijking van hetgeen de rechtbank heeft opgedragen - met inachtneming van het voorgaande dienen te worden beslist.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. Het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij de raad is opgedragen binnen tien weken na de verzending en met inachtneming daarvan een nieuw besluit op de bezwaarschriften te nemen, kan niet in stand blijven. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, namelijk de raad opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.7 is overwogen. De aangevallen uitspraak kan, aangezien de andere dicta juist zijn, voor het overige worden bevestigd.

2.9. De raad van de gemeente Heemstede dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 13 juli 2001, Awb 99-915, voorzover daarbij de raad van de gemeente Heemstede is opgedragen met inachtneming daarvan een nieuw besluit op de bezwaarschriften te nemen;

II. draagt de raad van de gemeente Heemstede op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Heemstede in de door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Heemstede te worden betaald aan [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 3] en [verzoeker sub 2], des dat betaling aan de een bevrijdt tegenover de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

119-420.