Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200103072/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103072/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats] Duitsland

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 3 mei 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Oisterwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van Oisterwijk (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van appellanten tot het opleggen van een bouwstop ten aanzien van een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van Bezwaar- en beroepschriftencommissie van 8 december 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 mei 2001, verzonden op 11 mei 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend,

Bij brief van 30 oktober 2001 heeft vergunninghouder een memorie van antwoord ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen van repliek en dupliek gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2002, waar appellanten in persoon, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.W.H.A. de Rooij en mr. A. Delien, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], die zich heeft laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin met de werkzaamheden is gemaakt.

In artikel 4.1 van de bouwverordening van de gemeente Oisterwijk (hierna: de bouwverordening) is evenbedoelde termijn gesteld op 26 weken.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en sub a tot en met f, van de bouwverordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bouw stil te leggen.

2.2. Appellanten hebben allereerst het oordeel van de rechtbank bestreden dat burgemeester en wethouders er terecht van hebben afgezien om tot intrekking van de bouwvergunning ten behoeve van de bouw van de berging op het perceel over te gaan.

2.3. Bij besluit van 6 juni 1997 hebben burgemeester en wethouders aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een berging op het perceel. Deze bouwvergunning is onherroepelijk. Vast staat dat [vergunninghouder] begin juni 1999 een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van dit bouwplan.

2.4. Nu [vergunninghouder] niet binnen 26 weken na de verlening van de bouwvergunning een begin heeft gemaakt met de bouwwerkzaamheden waren burgemeester en wethouders bevoegd ingevolge het bepaalde in artikel 59 van de Woningwet en artikel 4.1 van de bouwverordening de bouwvergunning in te trekken.

Burgemeester en wethouders hebben echter afgezien om gebruik te maken van hun bevoegdheid om tot intrekking van de bouwvergunning over te gaan, omdat (ten tijde van het verzoek van appellanten) reeds een aanvang was gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Zij hebben geen doorslaggevend gewicht toegekend aan hetgeen appellanten hebben gesteld omtrent de wijziging van het planologisch kader. Naar het oordeel van de Afdeling kan burgemeester en wethouders een redelijk motief om af te zien van hun bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning niet worden ontzegd en is er geen grond voor het oordeel dat zij bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In zoverre treft het hoger beroep dan ook geen doel.

2.5. Verder heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat burgemeester en wethouders terecht hebben geweigerd de bouw stil te leggen. Ook heeft de rechtbank in dit verband terecht overwogen dat de klacht van appellanten dat inmiddels in afwijking van de bouwvergunning is gebouwd in dit geding niet ter beoordeling kan staan. Hetgeen appellanten in dit verband opnieuw hebben betoogd treft evenmin doel.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer w.g. Ouwehand

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

224-387.