Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200103597/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103597/1.

Datum uitspraak: 3 juli 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van

6 juni 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

gedeputeerde staten van Drenthe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 1999 hebben gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: gedeputeerde staten) op basis van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling het Begrenzingenplan Zuidwest-Drenthe vastgesteld.

Bij besluit van 28 maart 2000 hebben gedeputeerde staten het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften van

17 maart 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2001, verzonden op 15 juni 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Assen, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door J.W. Grotenhuis, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 28 maart 2000 hebben gedeputeerde staten gehandhaafd hun besluit van 16 november 1999, waarbij zij ter uitvoering van de toenmalige Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling (Stcrt. 1995, 95; hierna: de Rbon) het Begrenzingenplan Zuidwest-Drenthe hebben vastgesteld.

De Rbon, die haar wettelijke grondslag mede vindt in artikel 25a van de Natuurbeschermingswet, heeft ten doel agrariërs er op vrijwillige basis toe te brengen om tegen een financiële bijdrage hun bedrijfsvoering mede te richten op doeleinden van natuur- en landschapsbehoud.

2.2. Genoemde regeling is inmiddels - voor zover hier van belang - vervangen door de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (Stcrt. 1999, 252, in werking getreden op 1 januari 2000).

In artikel 94, eerste lid, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer is bepaald dat de begrenzingen van beheersgebieden, reservaatsgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die op grond van de Rbon zijn vastgesteld, van kracht blijven, zolang geen beheersgebiedsplannen op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer of natuurgebiedsplannen op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 zijn vastgesteld, dan wel tot het tijdstip waarop die begrenzingen op grond van de Rbon zijn ingetrokken.

2.3. Ter zitting is komen vast te staan dat gedeputeerde staten inmiddels op basis van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en de Subsidieregeling natuurbeheer het Integraal gebiedsplan “Natuur- en landschapsdoelen in Drenthe” hebben vastgesteld, ingaande per 1 februari 2002.

2.4. Met de vaststelling van dit plan is de op grond van het Begrenzingenplan Zuidwest-Drenthe bestaande begrenzing van het in geding zijnde beheersgebied komen te vervallen.

Eerstgenoemd plan heeft derhalve geen betekenis meer, zodat het hoger beroep van appellanten, wegens het vervallen van belang bij een inhoudelijke beslissing daarop, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Zijlstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002

240.