Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-05-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
200201462/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.117
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/220 met annotatie van BKO
RV20020057 met annotatie van Spijkerboer T.P. Thomas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200201462/1.

Datum uitspraak: 3 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 6 maart 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 maart 2002, verzonden op 8 maart 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.

Bij brief van 19 april 2002 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. de Lange, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand Asiel Noordoost-Nederland, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mw. C.A. Buschman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt, indien de staatssecretaris voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, binnen 48 proces-uren af te wijzen, het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen drie proces-uren schriftelijk naar voren.

Ingevolge het derde lid is de schriftelijke zienswijze tijdig bij de staatssecretaris ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het vierde lid wordt het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze door de staatssecretaris vastgelegd.

2.2. In de grieven I en II, in onderlinge samenhang bezien, is kennelijk bedoeld te betogen dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de termijn voor het schriftelijk naar voren brengen van een zienswijze aanvangt op het tijdstip waarop het schriftelijk voornemen van de staatssecretaris aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel (hierna: de SRA) is uitgereikt, omdat volgens appellant aldus niet gewaarborgd is dat daadwerkelijk een zienswijze naar voren wordt gebracht. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de onderhavige aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 proces-uren heeft afgewezen, nu een zienswijze een noodzakelijk element in de procedure is en de staatssecretaris hem de rechtens toekomende drie proces-uren voor het naar voren brengen van een zienswijze feitelijk heeft onthouden.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2002 in zaak nr. 20020319/1, gepubliceerd in JV 2002/123), brengt het voornemen van de staatssecretaris om een aanvraag binnen het aanmeldcentrum af te handelen, diens verantwoordelijkheid voor het afronden van het onderzoek en de daarop gebaseerde besluitvorming binnen de bij het Vb 2000 gestelde termijn van 48 proces-uren met zich.

2.4. Uit het bepaalde in artikel 3.117 Vb vloeit voort dat de termijn van drie proces-uren voor het uitbrengen van de zienswijze aanvangt op het tijdstip waarop het schriftelijk voornemen van de staatssecretaris aan de SRA is uitgereikt.

2.5. Het ligt op de weg van de rechtshulpverlener om tijdig en gemotiveerd aan de staatssecretaris, die immers verantwoordelijk is voor het verloop van de procedure, kenbaar te maken dat meer tijd nodig is voor het uitbrengen van de zienswijze dan daarvoor in de regelgeving is voorzien. Geeft de rechtshulpverlener dit evenwel niet te kennen, dan kan de staatssecretaris in beginsel ook zonder dat na afloop van de drie proces-uren een zienswijze is uitgebracht, de beschikking binnen de termijn van 48 proces-uren geven. De verantwoordelijkheid van de staatssecretaris voor een zorgvuldige besluitvorming vergt echter wel dat hij zich bezint op zijn voornemen de aanvraag via de 48-uurs-procedure af te wijzen, gegeven de omstandigheid dat niet een zienswijze voorligt. De nadien in rechte voorgedragen gronden kunnen er onder omstandigheden blijk van geven dat de besluitvorming niet zorgvuldig is geweest.

2.6. In de voorliggende zaak is het onderzoek naar de aanvraag van appellant op 18 februari 2002 om 16.05 uur aangevangen. Appellant heeft niet binnen drie proces-uren na uitreiking van de kopie van het nader gehoor en van het voornemen, op 21 februari 2002 om 16.25 uur, een zienswijze naar voren gebracht en heeft evenmin te kennen gegeven dat daarvoor meer tijd nodig is. De afwijzende beschikking is op 22 februari 2002 om 08.05 uur uitgereikt. Nu appellant voor de rechtbank slechts formele bezwaren heeft aangevoerd, is niet gebleken dat kennisneming van een zienswijze noodzakelijk was voor een zorgvuldige besluitvorming op de aanvraag.

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de rechtbank vanwege het ontbreken van een zienswijze ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 proces-uren heeft afgewezen. De conclusie is dat de grieven falen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk De ambtenaar van Staat

Voorzitter is verhinderd de uitspraak te

ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2002

43-344.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,