Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200100717/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/324
Milieurecht Totaal 2002/4575

Uitspraak

200100717/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en maatschap [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2000 heeft de gemeenteraad van Loenen, op voorstel van burgemeester en wethouders, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Angstelkade".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 14 november 2000, nummer 2000reg003374i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brieven van 9 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2001, beroep ingesteld. Appellanten hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 3 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 januari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2002, waar van de zijde van appellanten zijn verschenen [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en van de zijde van verweerders ing. G.J. Jaspers, ambtenaar van de provincie.

Voorts zijn verschenen A.J. Tool, ambtenaar van de gemeente Loenen, namens het gemeentebestuur van Loenen, en [gemachtigden], beiden namens Conmedra Loenersloot Holding B.V..

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Blijkens de plantoelichting wordt met het plan beoogd de herinrichting mogelijk te maken van het voormalige, circa 4,5 hectare grote bedrijfsterrein van[partij] ten behoeve van de vestiging van kleinschalige, lokale bedrijven uit Loenen en de omliggende gemeenten.

Verweerders hebben het plan goedgekeurd.

Appellanten kunnen zich op de in hun beroepschriften vermelde gronden niet met het besluit van verweerders verenigen.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. In beroep wordt aangevoerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie] niet is gewaarborgd, gelet op de afstand tot de dichtstbij zijnde bedrijfsbebouwing.

2.4.1. Het perceel [locatie] ligt direct ten noordwesten van het plangebied, dat aan die zijde wordt begrensd door de Stichtse Wetering.

De dichtstbij gelegen bedrijfsbebouwing is een loods op ongeveer 10 meter van de woning van [appellant sub 1], gemeten vanaf het boenhok aan de wetering. In de loods vindt in hoofdzaak de opslag van sloepen en dergelijke plaats. Voorts worden boten geschuurd en gelakt. Aan deze loods is de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend met onder meer de nadere aanduiding “(3.1)”. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor bedrijven vallende onder de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten.

Direct ten zuidoosten van voornoemde loods bevindt zich een tweede loods op ongeveer 32 meter van de woning van [appellant sub 1]. Aan deze loods, die grotendeels in gebruik is bij een staalconstructiebedrijf, is de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend met onder meer de nadere aanduiding “(3.2)”. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor bedrijven vallende onder de categorieën 1 tot en met 3.2 van de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten.

2.4.2. In de plantoelichting wordt vermeld dat categorie 3.1 bedrijven gelet op hun aard en invloed op de omgeving worden toegelaten in de directe omgeving van woningen, echter over het algemeen gescheiden door een groenstrook of een weg en voorzien van een eigen autoverbinding met hoofd- en of verbindingswegen. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten uit de categorie 3.2 worden op circa 100 meter van woningen toegelaten. Deze bedrijven dienen gescheiden te zijn van gevoelige functies door andere of minder gevoelige functies. Gezien de ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein zijn bedrijfsactiviteiten uit de categorie 3.2 toelaatbaar in de hal van Commedra (het staalconstructiebedrijf) die zich niet direct naast de boerderij (de woning van [appellant sub 1]) bevindt.

In bijlage 1 van de plantoelichting wordt vermeld dat als belangrijkste bron bij het opstellen van de staat van bedrijfsactiviteiten heeft gediend de lijst van bedrijfstypen uit de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 1992 (hierna: de VNG-brochure 1992). Voorts blijkt uit deze bijlage dat de staat van bedrijfsactiviteiten afwijkt van de evengenoemde lijst van bedrijfstypen, in die zin dat deze is verfijnd op basis van andere bronnen en praktijkervaringen. Zo is categorie 3 onderverdeeld in twee subcategorieën. Het verschil tussen deze subcategorieën is gebaseerd op de gehanteerde afstanden binnen categorie 3 in de VNG-brochure 1992: de maatgevende minimaal aan te houden afstand van 30 of 50 meter is categorie 3.1 geworden en de maatgevende minimaal aan te houden afstand van 100 meter is categorie 3.2 geworden. Voorts gaat de staat van bedrijfsactiviteiten uit van de Standaard bedrijfsindeling 1993, terwijl de VNG-brochure 1992 uitgaat van de Standaard bedrijfsindeling 1974.

2.4.3. Uit het voorgaande blijkt in de eerste plaats dat voorbij is gegaan aan de in januari 1999 - derhalve bijna een jaar vóór de tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan - verschenen nieuwe uitgave van de VNG-brochure, waarin veranderingen in het beleid en ervaringsgegevens verwerkt zijn.

In de tweede plaats blijkt dat ingevolge de daaraan toegekende bestemming in de hiervoor genoemde bedrijfsgebouwen activiteiten zijn toegestaan waarvoor op grond van de VNG-brochure 1992 in beginsel een grotere ruimtelijke scheiding wenselijk moet worden geacht dan thans tussen de loodsen en de woning van [appellant sub 1] aanwezig is. Deze afwijking is onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar is sprake van bestaande bedrijfsbebouwing waarin bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend, doch de bestemmingsregeling is niet op die activiteiten toegespitst. Het argument van verweerders dat voor elk bedrijf dat zich vestigt nog een beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer nodig is, waardoor het altijd mogelijk is aanvullende maatregelen te nemen, gericht op deze specifieke situatie, is naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf onvoldoende om de in het onderhavige plan aangehouden afstand aanvaardbaar te achten. Immers, de door verweerders te verrichten toetsing in het kader van een goedkeuringsprocedure dient een brede planologische afweging te omvatten, waarbij aspecten van milieuhygiëne mede een rol spelen.

Evenmin kan als motivering dienen dat ingevolge het voorgaande bestemmingsplan in het gehele plangebied activiteiten voor houtbewerkingsbedrijven waren toegestaan, welke vergelijkbaar zijn met bedrijven uit categorie 4.1 van de staat van bedrijfsactiviteiten, nu deze activiteiten ter plaatse al geruime tijd niet meer worden uitgeoefend.

Gelet op de geringe afstand tussen de loodsen en de woning van [appellant sub 1] ligt een maatbestemming voor de loodsen in de rede.

2.4.4. Het bestreden besluit berust gelet op het hiervoor overwogene in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Hieruit volgt dat de beroepen op dit punt gegrond zijn en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd voorzover verweerders daarbij goedkeuring hebben verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" betreffende de loodsen in het zuidwestelijke deel van het plangebied.

2.5. In beroep wordt voorts aangevoerd dat de verkeersontsluiting van het bedrijventerrein tekort schiet en niet berekend is op calamiteiten omdat een tweede ontsluiting ontbreekt.

2.5.1. In de plantoelichting wordt vermeld dat de verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via het zuidelijke deel van de Westkanaaldijk en Breukelen naar de A2. Het zuidelijke deel van de Westkanaaldijk zal worden verzwaard en er zullen vrijliggende fietspaden worden aangelegd. Blijkens het verweerschrift is dit in de projectovereenkomsten tussen Railinfrabeheer en de gemeente Loenen respectievelijk de gemeente Breukelen vastgelegd. Ook bestaat hierover overeenstemming met de beheerder van de waterkering. Het noordelijke deel van de Westkanaaldijk zal voor doorgaand (vracht)verkeer worden afgesloten waardoor de woonkern van Loenersloot (Binnenweg) wordt gevrijwaard van vrachtverkeer. Realisering van de verbinding richting Breukelen zal, anders dan appellanten vrezen, zeker geen vijf jaar op zich laten wachten, omdat ook Railinfrabeheer van de Westkanaaldijk gebruik moet maken voor zand- en materiaaltransporten. Voorts wijzen verweerders erop dat vanaf de Angstelkade een onderdoorgang zal worden aangelegd onder de vaste spoorbrug die zal worden gebouwd in het kader van de verdubbeling van het spoor Amsterdam-Utrecht. De aansluiting op de Westkanaaldijk in de richting van Breukelen is berekend op vrachtwagens van 16 meter.

2.5.2. In het bestemmingsplan is het gedeelte met de bestemming “Verkeersdoeleinden (V)” ter plaatse van de voorziene ontsluiting op de Angstelkade ongeveer 7,5 meter breed, hetgeen blijkens het deskundigenbericht voldoende ruimte biedt voor een brandweervoertuig. Voort bevindt zich tussen het plangebied en het spoortalud een niet openbare weg van NS Railinfratrust B.V. die de verbinding vormt tussen de Angstelkade en een onderstation van Railinfrabeheer. Van de zijde van de gemeente is meegedeeld dat tussen deze weg en het bedrijventerrein een verbinding zal worden aangelegd waarvan in noodgevallen gebruik kan worden gemaakt.

2.5.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de verkeersontsluiting van het plangebied toereikend hebben kunnen achten.

2.6. Verder wordt in beroep bezwaar gemaakt tegen een eventueel te bouwen rioolwaterzuiveringsinstallatie in het noordwestelijke deel van het plangebied.

2.6.1. Omdat nog geen duidelijkheid bestaat over een door de Dienst waterbeheer en riolering te realiseren rioolpersleiding kan de bouw van een eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie in het plangebied noodzakelijk zijn. Daartoe is aan een terrein in het noordwesten van het plangebied de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” met onder meer de nadere aanduiding “r” toegekend. Dit terrein ligt op ongeveer 170 meter van de woning van [appellant sub 1]. Gelet op de capaciteit van deze zogenoemde perifere installatie, en in verband daarmee het beperkte oppervlakte van het terrein, delen verweerders het standpunt van de gemeenteraad dat deze afstand voldoende is ter voorkoming van hinder. De Afdeling is niet gebleken dat een en ander onjuist is.

Ten aanzien van de vrees van appellanten dat het drinkwater van de koeien zal worden verontreinigd, overweegt de Afdeling dat voor het lozen van effluent op oppervlaktewater ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewater een vergunning is vereist, waarin eisen worden gesteld aan de kwaliteit van het te lozen water.

2.7. In beroep wordt vervolgens aangevoerd dat de activiteiten op het bedrijventerrein een schadelijke invloed op nabijgelegen ecologische verbindingszones zullen hebben.

2.7.1. Verweerders streven naar het realiseren van een ecologische verbindingszones tussen de gebieden De Venen en de Vechtplassen. Daartoe zijn onder meer in het streekplan twee ecologische verbindingszones opgenomen. De verbindingszone Demmerik-Loosdrechtse plassen ligt deels direct ten zuiden en deels direct ten noorden van het plangebied en is bedoeld voor planten en dieren van het biotoop Veenmoerassen met schraallanden en wateren.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde verstoring wijzen verweerders op de aanwezigheid van de spoorlijn Amsterdam-Utrecht. Zij verwachten dat de activiteiten op het bedrijventerrein geen verdergaande verstoring teweeg brengen. De Afdeling is niet gebleken dat een en ander onjuist is.

2.8. In beroep wordt voorts aangevoerd dat door de ten hoogste toegestane bouwhoogte het landschap zal worden aangetast.

2.8.1. Verweerders hebben overwogen dat de toegestane hoogtes aansluiten bij de bestaande bebouwing. Voorts is ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het plangebied voorzien in een groenzone van tien meter breed aan de noordwestzijde van het plangebied, daar waar het grenst aan het open polderland. De desbetreffende gronden zijn bestemd tot “Groenvoorzieningen”. Ter plekke van de boerderij van appellanten is deze zone minder breed. Vanwege de aanwezigheid van de agrarische bedrijfsgebouwen bestaat daar niet de noodzaak van deze landschappelijke inpassing. Wel is de groenzone daar zo breed mogelijk gemaakt om voor appellanten het zicht op het plangebied zo veel mogelijk te beperken.

2.8.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid de toegestane bouwhoogtes aanvaardbaar hebben kunnen achten.

2.9. In beroep is verder aangevoerd dat het plan wonen mogelijk zou dienen te maken met het oog op de sociale veiligheid.

2.9.1. Blijkens de plantoelichting is van het toelaten van bedrijfswoningen afgezien omdat deze om milieuhygiënische redenen beperkingen opleggen aan de bedrijfsuitoefening van gevestigde en toekomstige bedrijven.

2.9.2. Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerders niet in redelijkheid met dit standpunt hebben kunnen instemmen.

2.10. Ten slotte wordt in beroep bezwaar gemaakt tegen de langs de Angstelkade gelegen kraanbaan, die in het plan als zodanig is bestemd, omdat het gebruik daarvan leidt tot verkeersstagnatie op de Angstelkade.

2.10.1. Blijkens het deskundigenbericht wordt de kraanbaan gebruikt door de scheepswerf om boten uit het water te tillen. Nu deze kraanbaan feitelijk aanwezig en als zodanig in gebruik is, dient het bestemmingsplan in beginsel uit een oogpunt van rechtszekerheid daarin te voorzien. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval niet in redelijkheid aan dit beginsel kon worden vasthouden.

2.11. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor dit oordeel. Behoudens wat betreft het plandeel bedoeld onder 2.4.4, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders, behoudens wat betreft het plandeel bedoeld onder 2.4.4, terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

De beroepen zijn mitsdien voor het overige ongegrond.

2.12. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 14 november 2000, 2000REG003374i, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" betreffende de loodsen in het zuidwestelijke deel van het plangebied, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt gedeputeerde staten van Utrecht in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Utrecht te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de provincie Utrecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 voor [appellant sub 1] en € 204,20 voor [appellant sub 2]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Groot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

210.