Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200103010/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103010/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester van Schouwen-Duiveland,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 17 mei 2001 in het geding tussen:

De Kleding-Express v.o.f., gevestigd te Yerseke

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 1998 heeft appellant de aanvraag van de vennootschap onder firma “De Kleding Express” (hierna: De Kleding Express) van 11 december 1998 om het verlenen van een vergunning voor het houden van een kledingverkoop op 29 en 30 december 1998 en 2, 6 en 9 januari 1999 afgewezen.

Bij besluiten van 18 oktober 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland het daartegen door De Kleding Express gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Tegen deze besluiten heeft appellant op 29 november 1999 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank).

Bij besluiten van 23 december 1999 heeft appellant een nieuwe aanvraag van De Kleding Express van 8 december 1999 om het verlenen van een vergunning voor het houden van een kledingverkoop op 28 en 29 december 1999 en 5, 6 en 7 januari 2000 ingewilligd.

Bij besluit van 8 juni 2000 heeft appellant het daartegen door De Kleding Express gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft De Kleding Express op 26 juli 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 17 mei 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 18 oktober 1999 en 8 juni 2000 door de Kleding Express ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze beslissingen op bezwaar vernietigd en de gemeente Schouwen-Duiveland veroordeeld tot vergoeding van de door De Kleding Express geleden schade, begroot op ƒ 127.824,00 (€ 58.004,00). Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 september 2001 heeft De Kleding Express van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en De Kleding Express, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vooropgesteld zij dat tussen partijen niet in geschil is dat de aan het schadevergoedingsverzoek van De Kleding Express ten grondslag liggende besluiten van 18 december 1998 en 18 oktober 1999, waarin appellant zich op het standpunt stelt dat De Kleding Express bij het houden van kledingverkopen moet beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland, rechtens onjuist zijn, nu appellant - zoals ook uit het proces-verbaal ter zitting van de rechtbank blijkt– heeft erkend dat dit artikel zich alleen richt tot de beheerders of exploitanten van de dorps- en verenigingshuizen waar de kledingverkopen gehouden worden.

2.2. Appellant keert zich in hoger beroep allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat de besluiten van 18 oktober 1999 door het onbevoegde bestuursorgaan zijn genomen. Naar zijn mening had de rechtbank deze besluiten om proces-economische redenen moeten aanmerken als door de burgemeester genomen besluiten, nu het primaire besluit wél door de burgemeester is genomen en hij de bestreden besluiten alsnog - in zijn besluit van 10 februari 2000 – tot de zijne heeft gemaakt.

Dit betoog faalt. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat aan de besluiten van 18 oktober 1999 een bevoegdheidsgebrek kleeft. De omstandigheid dat de burgemeester in zijn brief van 10 februari 2000 alsnog aangeeft dat hij terzake het bevoegde bestuursorgaan is, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt een bekrachtiging achteraf, zoals in casu aan de orde, een bevoegdheidsgebrek als het onderhavige niet ongedaan. Anders dan appellant ziet de Afdeling geen aanleiding om dit bevoegdheidsgebrek om proces-economische redenen te passeren, nu de bestreden besluiten - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - op onjuiste gronden berusten, zodat zij reeds op grond hiervan vernietigd dienden te worden.

2.3. Appellant keert zich voorts tegen het oordeel van de rechtbank hem te veroordelen tot vergoeding van de door De Kleding Express naar aanleiding van de onjuiste besluiten beweerdelijk geleden schade, begroot op ƒ 127.824,00 (€ 58.004,00). Appellant kan zich met name niet verenigen met de tot dit oordeel leidende overweging van de rechtbank dat de bestreden besluiten weliswaar uitsluitend zien op verkoopdata in december 1998 en januari 1999, doch dat zij voldoende aannemelijk acht dat De Kleding Express door de onjuiste wijze, waarop de bestreden besluiten zijn voorbereid, waarbij de burgemeester zich baseerde op een onjuiste interpretatie van de toepasselijke wettelijke voorschriften, geen kledingverkopen in de gemeente Schouwen-Duivenland meer heeft kunnen houden op de wijze waarop zij dat inmiddels vele jaren placht te doen.

Appellant bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met succes.

De Afdeling neemt hierbij als uitgangspunt dat met de vernietiging van de bestreden besluiten door de rechtbank, welke vernietiging in hoger beroep niet in geschil is, de onrechtmatigheid van de besluiten van de burgemeester en diens schuld is gegeven en daarmee in beginsel de aanspraak op schadevergoeding. Dit laat echter onverlet dat het aan De Kleding Express is om aan te tonen dat zij daadwerkelijk als gevolg van de onrechtmatige besluiten van de burgemeester schade heeft geleden en die schade aan de hand van bewijsstukken te onderbouwen.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de geleden schade, gelet op artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in ieder geval niet meer bedragen dan de schade die rechtstreeks voorvloeit uit de onrechtmatige besluiten. In het onderhavige geval is dat de schade die is geleden naar aanleiding van de onterechte weigering van de aanvraag om vergunningverlening voor de vijf verkoopdagen in 1998 en 1999.

De namens De Kleding Express in de overgelegde stukken gestelde schadeposten, die betrekking hebben op verkoopdata waarop de bestreden besluiten geen betrekking hebben, kunnen dan ook niet aan de onrechtmatigheid daarvan worden toegerekend. De rechtbank heeft dat miskend door onder meer ook de gederfde omzet van De Kleding Express van één jaar als uitgangspunt voor de schadeberekening te accepteren. De rechtbank heeft daarnaast miskend dat op grond van de stukken uit het dossier voorshands niet kan worden vastgesteld wat de omvang is van de geleden schade, die rechtstreeks voortvloeit uit de vernietigde besluiten. Onder deze omstandigheden had het op de weg van de rechtbank gelegen toepassing te geven aan artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, te weten dat zij in de uitspraak bepaalt dat het onderzoek naar de omvang van de schadevergoeding ter voorbereiding van een nadere uitspraak wordt heropend. In het kader van dat onderzoek had moeten worden nagegaan welke schade rechtstreeks voortvloeit uit de vernietigde besluiten.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 17 mei 2001, reg.nrs. Awb 99/684, 99/685, 00/452, voor zover hierbij het verzoek om schadevergoeding ten bedrage van ƒ 127.824,00 (€ 58.004,00) is toegewezen;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Tielraden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

156-391.