Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200200203/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200203/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2001, kenmerk 0105490/V.35592, hebben verweerders krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het tijdelijk lozen van circa 20.000 m3 perswater, 2.000 m3 percolatiewater en 6.000 m3 hemelwater per jaar, afkomstig van een baggerspeciedepot op het perceel gelegen achter de [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 18 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door ing. B. Girwar, ambtenaar van het hoogheemraadschap, zijn verschenen.

Voorts zijn vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders van Reeuwijk, vertegenwoordigd door W. Nomen, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Verweerders hebben gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat appellante geen bedenkingen heeft ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelezen in samenhang met artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake de beoordeling van de aanvraag aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellante voert aan te vrezen dat het water dat zij gebruikt voor de beregening van haar naast de inrichting liggende boomkwekerij zal verslechteren, ondanks dat zij dit water uit een andere sloot betrekt. In dat verband stelt zij dat ten gevolge van de lozing van het percolatiewater de groei van de bomen stagneert.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden tegen verontreiniging van het oppervlaktewater. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 5 is daarnaast een meet-en bemonsteringsverplichting opgenomen.

De Afdeling overweegt dat noch uit hetgeen appellante aanvoert noch anderszins blijkt dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door hen verleende vergunning voldoende bescherming biedt tegen een onaanvaardbare verontreiniging van het oppervlaktewater. Het ter zitting aangedragen alternatief van appellante om het percolatiewater terug te pompen naar Gouda, kan, wat daar ook van zij, in deze procedure niet aan de orde komen, nu vergunninghoudster hiertoe geen aanvraag heeft ingediend; verweerders waren gehouden te beslissen op de onderhavige aanvraag. Deze beroepsgronden treffen derhalve geen doel.

2.3. Appellante voert aan te vrezen dat op het depot groeiend onkruid zich naar haar naast de inrichting liggende boomkwekerij zal uitbreiden. Zij stelt hierbij te betwijfelen of de aan haar gedane toezegging dat het depot regelmatig zal worden gemaaid, uitvoerbaar is. Daarnaast stelt appellante dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Deze beroepsgronden hebben echter geen betrekking op het belang van de bescherming de kwaliteit van het oppervlaktewater in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en treffen reeds om die reden geen doel.

2.4. Zowel bij nadere memorie als ter zitting heeft appellante gesteld schade te hebben geleden die volgens haar voor vergoeding in aanmerking dient te komen.

Voorzover appellante zich hiermee op het standpunt stelt dat verweerders ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht nadeelcompensatie hadden moeten bieden, is de Afdeling van oordeel dat dit aspect niet tijdig, te weten eerst bij nadere memorie, in beroep is ingebracht als zelfstandige beroepsgrond en derhalve met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

Voorzover de Afdeling dit moet begrijpen als een verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht, is de Afdeling van oordeel dat dit verzoek moet worden afgewezen, nu het beroep ongegrond is.

2.5. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft de

beoordeling van de aanvraag aan de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

191-414.