Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200103311/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 28
Wet bodembescherming 29
Wet bodembescherming 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/360

Uitspraak

200103311/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2000, kenmerk 009747, hebben verweerders vastgesteld dat ter plaatse van de locatie van het benzinestation gelegen tussen het NS-station en de Schroeweg in Middelburg sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dat sanering urgent is. Verder hebben verweerders besloten dat met de sanering op korte termijn, doch uiterlijk binnen 4 jaar na afgifte van de beschikking, moet worden begonnen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 22 mei 2001, kenmerk 014677/581/14dg, verzonden op 23 mei 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2002, waar verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Geurts en ing. G. Schrage, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is namens burgemeester en wethouders van Middelburg,

P.J. Mondeel, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Appellante is exploitante van een garagebedrijf, autoverhuurbedrijf en benzinestation op de locatie tussen het NS-station en de Schroeweg in het stationsgebied van Middelburg. De desbetreffende bedrijfslocatie wordt gehuurd van de gemeente Middelburg. Op het bedrijf van appellante is het Besluit tankstations milieubeheer van toepassing.

De gemeente Middelburg, die de locatie voor sanering heeft aangemeld, is voornemens het stationsgebied te ontwikkelen en ter plaatse kantoren te realiseren.

2.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) doet degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst van dit voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wbb stellen gedeputeerde staten vast of sprake is van ernstige verontreiniging naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wbb (voor zover hier relevant) stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, tevens vast of er sprake is van urgentie om het geval te saneren.

2.3. Appellante voert aan dat haar positie in het gedrang komt, ondanks de bescherming die de wet aan de huurpositie verleent, doordat zij in het kader van het Besluit tankstations milieubeheer verplicht is maatregelen te treffen, zonder dat zij zekerheid heeft over het voortbestaan van haar bedrijf. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet immers in de bouw van kantoren ter plaatse van haar bedrijf.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat hetgeen appellante in het kader van het Besluit tankstations milieubeheer aan bodembeschermende maatregelen moet treffen, buiten deze procedure valt. Thans kan alleen aan de orde komen de vraag of in casu sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering uiterlijk vier jaar na de datum van het besluit moet worden aangevangen. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.4. Appellante stelt voorts dat verweerders ten onrechte op de melding van de gemeente Middelburg en HBG Vastgoed B.V. hebben beslist, nu HBG Vastgoed B.V. zich ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar reeds had teruggetrokken als projectontwikkelaar van het stationsgebied en op dat moment niet langer eigenaresse was van de bedrijfslocatie van appellante. Hierdoor is volgens appellante de grond komen te ontvallen aan de melding. Het mag volgens haar toch niet zo zijn dat een melding als bedoeld in artikel 28 van de Wbb kan worden gedaan door een rechtspersoon die niet daadwerkelijk voornemens is de locatie te saneren.

2.4.1. Uit de stukken blijkt dat HBG Vastgoed B.V. zich inderdaad heeft teruggetrokken als projectontwikkelaar uit het stationsgebied te Middelburg. HBG Vastgoed B.V. heeft de eigendom van de [locatie] overgedragen aan de gemeente Middelburg. Het rechtstreekse belang van HBG Vastgoed B.V. bij de melding is hiermee komen te vervallen. De melding in kwestie is evenwel niet alleen door HBG Vastgoed B.V. ingediend maar ook door de gemeente Middelburg. Aangezien de rechten en verplichtingen ter zake van HBG Vastgoed B.V. zijn overgegaan op de gemeente Middelburg, hebben verweerders een beslissing kunnen nemen op de voorliggende melding. Dit nog los van het feit dat het bestreden besluit dateert van 23 mei 2001 en de koopovereenkomst tussen HBG Vastgoed B.V. en de gemeente Middelburg eerst op 22 juni 2001 is gesloten. Deze beroepsgrond kan geen doel treffen.

2.5. Appellante heeft er bezwaar tegen dat verweerders, naar aanleiding van door haar ingebrachte zienswijzen over het ontwerpbesluit, in het definitieve besluit de uiterste termijn waarvoor met saneren moet zijn begonnen hebben teruggebracht van 2015 naar 2004. Hiermee hebben verweerders een besluit genomen dat nadeliger is voor appellante dan het ontwerpbesluit. Deze handelwijze is volgens appellanten in strijd met het in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde rechtsbeginsel dat het instellen van beroep geen reformatio in peius mag opleveren voor de betrokken appellant. Dit beginsel moet volgens appellante ook gelden voor de bestuurlijke voorprocedure en het rechtsmiddel zienswijze.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat uit de Algemene wet bestuursrecht niet volgt dat het ontwerpbesluit naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen voor de indiener van deze zienswijzen niet in negatieve zin kan worden gewijzigd. Gezien de wijze waarop de besluitvorming in een geval als dit tot stand komt, en het feit dat rechtens de positie van de justitiabele door het ontwerpbesluit nog niet wordt bepaald, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders onjuist hebben gehandeld bij het nemen van het onderhavige besluit na het ontwerpbesluit. Deze gang van zaken betekent niet dat appellante is belemmerd in de mogelijkheid de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen aan te wenden noch dat een verslechtering in rechtspositie optreedt. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.6. Appellante stelt dat verweerders bij het vaststellen van de urgentiecategorie en de saneringstermijn ten onrechte het Besluit tankstations milieubeheer hebben betrokken. Dit besluit ziet immers op sanering op uiterlijk 1 juli 1999. Nu deze datum is overschreden resteren slechts handhavingsmaatregelen. De Wet bodembescherming had in deze door verweerders moeten worden toegepast. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in urgentiecategorieën, te weten niet-urgent en urgent, waarbij laatstgenoemde categorie wordt onderverdeeld in urgent en zeer urgent, in welk laatste geval sanering binnen vier jaar dient plaats te hebben. Aangezien naar de mening van appellante in casu geen sprake is van actuele verspreidingsrisico’s, is de sanering niet als zeer urgent te kwalificeren, zodat verweerders ten onrechte hebben bepaald dat de sanering binnen een termijn van uiterlijk vier jaar na het bestreden besluit dient te worden aangevangen.

2.6.1. De Afdeling overweegt allereerst dat het feit dat op grond van het Besluit tankstations milieubeheer aan een tankstation uiterlijk op 1 juli 1999 de daarin voorgeschreven maatregelen moeten zijn getroffen, nog niet betekent dat aan het Besluit na 1 juli 1999 geen betekenis meer toekomt.

Verder stelt de Afdeling vast dat verweerders in beginsel voor de bepaling van het saneringstijdstip de “Circulaire bepaling saneringstijdstip voor gevallen van ernstige verontreiniging waarvoor sanering urgent is, Staatscourant 47, 7 maart 1997” toepassen, maar dat verweerders in dit geval op grond van artikel 9, vijfde lid, van het Besluit tankstations milieubeheer voor de bepaling van de urgentiesystematiek toepassing hebben gegeven aan de Handleiding bodemsanering tankstations. Op basis van deze Handleiding zijn alle gevallen van ernstige bodemverontreiniging van onder het Besluit vallende tankstations per definitie zeer urgent.

Gelet op het feit dat in de evenbedoelde Circulaire wordt bepaald dat deze niet van toepassing is op gevallen waarvoor afspraken zijn gemaakt in het kader van het Besluit tankstations milieubeheer, is de Afdeling van oordeel dat verweerders op goede gronden in dit geval voor de bepaling van het saneringstijdstip in plaats van de Circulaire de Handleiding hebben toegepast. Gezien het feit dat ter plaatse van het tankstation in kwestie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging waarvan de sanering zeer urgent is, hebben verweerders naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen dat de saneringtermijn in dit geval op uiterlijk vier jaar diende te worden gesteld. De beroepsgrond van appellante treft derhalve geen doel.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van der Vlis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

205.