Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200102782/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102782/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Tilburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 13 april 2001 in het geding tussen:

de besloten vennootschap "Crescendo Investment Group V B.V.", gevestigd te 's-Hertogenbosch

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2000 hebben appellanten (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd aan S-G-vier B.V., rechtsvoorgangster van Crescendo Investment Group V B.V. (hierna: de aanvraagster), bouwvergunning te verlenen voor een bedrijfsgebouw aan de Berglandweg 22 te Tilburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door de aanvraagster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2001, verzonden op 27 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door de aanvraagster ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de aanvraagster. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 30 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 december 2001 en 2 januari 2002 heeft de aanvraagster een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2002, waar de aanvraagster, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. A.J.L. Claassen, advocaat te Eindhoven, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C.C.A.M. van den Dries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat het bouwplan voorziet in een zelfstandig kantoorgebouw. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank, zoals burgemeester en wethouders betogen, ten onrechte heeft geoordeeld dat het een bedrijfsgebouw is in de zin van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Het Groenewoud II”.

2.2. Ingevolge voormeld bestemmingsplan is het perceel aangewezen voor de bestemming “Bouwklasse L1”. Ingevolge artikel 8, lid A, onder 1, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, mogen de gronden die op de kaart zijn aangeduid met L1 uitsluitend worden bebouwd met bedrijfsgebouwen en bouwwerken, niet zijnde gebouwen, alsmede met woningen, voor zover deze behoren bij genoemde bedrijfsgebouwen en bouwwerken en voor het gebruik daarvan onontbeerlijk zijn. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, wordt in de voorschriften onder bedrijfsgebouw verstaan: een gebouw, dat blijkens zijn aard en indeling voor nijverheids-, ambachts-, of handelsbedrijf - geen winkel zijnde - bruikbare ruimte(n) omvat.

2.3. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat een zelfstandig kantoorgebouw niet kan worden begrepen onder de voormelde begripsbepaling van bedrijfsgebouw. Voor de ruime uitleg van met name ‘handelsbedrijf’, als door de rechtbank gebezigd, biedt die begripsbepaling geen steun. Gelet op de daarin gelegen relatie met het nijverheids- en ambachtsbedrijf is de opvatting van burgemeester en wethouders niet onjuist, dat het moet gaan om bedrijven die ter plekke grondstoffen verwerken, goederen of producten vervaardigen of bewerken of die handelen in goederen die ter plaatse in voorraad worden gehouden en van daaruit worden geleverd. Een zelfstandig kantoorgebouw valt daar niet onder. Dat is ook in overeenstemming met de tot 1975 binnen de gemeente gehanteerde bestemmingsplansystematiek van bouwklassen, waarin kantoren (bij ontstentenis van een benaming als zodanig) onder de bouwklassen H en H1 geacht werden te vallen.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op de dwingende weigeringsgrond in artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet konden burgemeester en wethouders niet anders dan, zoals ze hebben gedaan, de gevraagde bouwvergunning weigeren. Voor verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die luidde tot 3 april 2000, was geen plaats, omdat niet was voldaan aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten. Het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel strekken voorts niet zover dat op grond daarvan in strijd met de wet een bouwvergunning zou moeten worden verleend. Reeds hierom kan het beroep dat de aanvraagster bij de rechtbank op deze beginselen heeft gedaan, geen doel treffen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de aanvraagster alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 13 april 2001, 00 / 1490;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

27-412.