Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200106138/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200106138/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Voorst,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2001, kenmerk MA/h-9, hebben verweerders bepaald dat door appellant een dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt verbeurd van € 226,89, ingaande drie weken na de dag van verzending van het besluit, voor elke overschrijding van het totaal aantal vergunde transportbewegingen van en naar de inrichting gelegen aan de [locatie]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is vastgesteld op € 6.806,70. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 1 november 2001, verzonden op 1 november 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ook dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M. Nijkamp, advocaat te Enschede, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. B. Looijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.2. Allereerst overweegt de Afdeling dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in voldoende mate is komen vast te staan dat ten tijde van het bestreden besluit er een overschrijding plaatsvond van het totaal aantal vergunde transportbewegingen, zodat verweerders bevoegd waren een last onder dwangsom op te leggen.

2.3. Appellant voert aan dat de last onder dwangsom aan de verkeerde (rechts)persoon is opgelegd, nu de revisievergunning van 23 december 1993 is verleend aan de vennootschap onder firma [vergunninghouder] te [plaats].

2.3.1. Artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat uit deze bepaling volgt dat een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer niet uitsluitend geldt voor de (rechts)persoon aan wie de vergunning oorspronkelijk is verleend, doch dat tevens andere (rechts)personen die de inrichting drijven, kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de aan de vergunning verbonden voorschriften.

Gebleken is dat appellant de onderhavige inrichting drijft en het ook in zijn macht heeft de overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften te beëindigen. Dit brengt met zich dat appellant als overtreder in de zin van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht is aan te merken.

De Afdeling is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat appellant terecht is aangemerkt als degene aan wie de last onder dwangsom kon worden opgelegd. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellant voert aan dat in afwachting van het verlenen van een veranderingsvergunning een overschrijding van het aantal transportbewegingen door verweerders is gedoogd.

2.4.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat er nimmer in afwachting van mogelijke vergunningverlening sprake is geweest van het gedogen van de desbetreffende overschrijding.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de overschrijding van het aantal transportbewegingen door verweerders is gedoogd en daarmee het vertrouwen is gewekt dat niet tot handhaving zou worden overgegaan. De Afdeling merkt daarbij op dat een omstandigheid om niet tot handhaving over te gaan, kan zijn gelegen in het vooruitzicht dat binnen korte termijn de desbetreffende overtreding kan worden gelegaliseerd. Van een dergelijke omstandigheid was ten tijde van het bestreden besluit geen sprake, nu appellant geen volledige vergunningsaanvraag had ingediend. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. In hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet tot het bestreden besluit hebben mogen komen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

179-375.