Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200102781/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 407

Uitspraak

200102781/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Dutch Jazz Orchestra", gevestigd te Hilversum,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 24 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 26 februari 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het beroep van appellante gegrond verklaard, gericht tegen het op bezwaar genomen besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) van 18 september 1997, waarbij de door appellante ingediende aanvraag voor een meerjarige instellingssubsidie op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc) en in het kader van de Cultuurnota 1997-2000 is afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 1999 heeft de Staatssecretaris, nadat de Raad voor Cultuur (hierna: de Raad) een nieuw advies en een nadere toelichting daarop had uitgebracht, een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij het verzoek van appellante om een meerjarige subsidie wederom is afgewezen. Dit besluit en het advies met de nadere toelichting van de Raad van 16 april 1999 respectievelijk 28 mei 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 24 april 2001, verzonden op 1 mei 2001, heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 14 juli 1999 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 september 2001 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. van Kampen, advocaat te Utrecht, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de behandeling van het hoger beroep heeft de Staatssecretaris zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat, nu de periode waarvoor de cultuurnota geldt inmiddels is verstreken, moet worden geconcludeerd dat er geen procesbelang meer bestaat.

De Afdeling merkt dienaangaande op dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellante schade heeft geleden van de weigering om subsidie toe te kennen die zij zo mogelijk wenst te verhalen. Reeds hierom kan de Staatssecretaris niet worden gevolgd in zijn betoog dat appellante geen procesbelang meer heeft.

2.2. Ingevolge artikel 2 van de Wsc (Stb. 1993, 193), is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Minister) belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.

Ingevolge artikel 4 van de Wsc kan de Minister ten behoeve van cultuuruitingen subsidies verstrekken.

Op grond van artikel 8 van het op de Wsc gebaseerde Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473) kunnen meerjarige instellingssubsidies worden verleend.

Bij de wijziging van de Wsc van 26 oktober 1995 (Stb. 539) is de Raad ingesteld. Ingevolge artikel 2a van de Wsc, voorzover hier van belang, adviseert de Raad de Minister, de beide Kamers der Staten-Generaal of de Ministers wie het mede aangaat, desgevraagd over het cultuurbeleid van het Rijk.

2.3. Appellante voert in hoger beroep aan dat de Staatssecretaris zich niet zonder meer door het advies van de Raad had mogen laten leiden doch een eigen verantwoordelijkheid heeft tot zorgvuldige besluitvorming en motivering. Dit aspect heeft de rechtbank, naar de mening van appellante, onvoldoende in ogenschouw genomen.

Het betoog faalt. De Staatssecretaris heeft zijn besluit van 14 juli 1999, gelet op de wettelijke verplichting hiertoe en in overeenstemming met hetgeen de rechtbank in haar eerdere uitspraak van 26 februari 1999 hem heeft opgedragen, niet genomen dan nadat hij opnieuw advies van de Raad heeft ingewonnen. Bij de hernieuwde beoordeling van het subsidieverzoek heeft de Raad, alvorens tot een advies te komen, gebruik gemaakt van materiaal dat ten tijde van de initiële advisering op 22 mei 1996 voorhanden was, zijnde het beleidsplan van appellante over 1997-2000, recensies, knipsels, aanbevelingsbrieven en cd-opnamen. Voorts heeft de Raad, ter aanvulling van dit nieuwe advies, op verzoek van de Staatssecretaris een nadere toelichting gegeven.

Gezien de wijze van totstandkoming van het advies van de Raad en de daarbij gegeven toelichting, acht de Afdeling het niet in strijd met het recht dat de Staatssecretaris zich bij zijn oordeelsvorming met betrekking tot het onderhavige subsidieverzoek, mede heeft gebaseerd op het advies van de Raad zoals dit thans is voorgelegd. De Staatssecretaris heeft in het besluit op bezwaar niet volstaan met een verwijzing naar dit advies maar heeft daaraan, in overeenstemming met de artikelen 3:9 en 3:49, gelezen in samenhang met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een zelfstandige beoordeling en motivering ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit aspect aldus niet miskend.

2.4. Appellante kan voorts niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de vraag of de Staatssecretaris zich ervan heeft vergewist of de beoordeling van de subsidieaanvraag is geplaatst binnen de integrale afweging van alle subsidieaanvragen die in dit kader zijn beoordeeld.

De Raad heeft, zo blijkt uit het advies en de nadere toelichting daarop, de beoordeling van appellantes subsidieverzoek geplaatst in het kader van de Cultuurnota 1997-2000 waarbij hij, gelet op de structuur waarbinnen destijds sectorsgewijs alle subsidieverzoeken afzonderlijk en ten opzichte van elkaar zijn beoordeeld, de integrale afweging heeft beperkt tot het aandachtsterrein Muziek en Muziektheater en daarbinnen tot het onderdeel van de jazz. Daarbij heeft de Raad de uitgangspunten nader geëxpliciteerd, aangegeven welk uitgangspunt voor de jazzmuziek eerst en vooral daadwerkelijke ondersteuning verdient en daaraan het materiaal van appellante getoetst, gerelateerd aan hetgeen het orkest zichzelf, volgens zijn beleidsplan, als belangrijkste taakstelling heeft gesteld.

Gelet op hetgeen de Raad met betrekking tot deze afweging in zijn advies heeft aangegeven, heeft de Staatssecretaris er aldus genoegzaam van mogen uitgaan dat de Raad appellantes subsidieaanvraag daadwerkelijk heeft geplaatst binnen de integrale afweging van alle subsidieaanvragen. Voorts heeft de rechtbank met recht overwogen dat niet kan worden staande gehouden dat het inzicht dat de Raad geeft in de inhoudelijke waardering die tot het negatieve advies omtrent het subsidieverzoek van appellante heeft geleid, ontoereikend is dan wel dat die waardering de conclusie van de Raad niet zou kunnen dragen.

2.5. Het hoger beroep richt zich voorts tevergeefs tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat de aanwezigheid van deskundigheid op het gebied van de jazz in de Commissie Muziek zodanig onvoldoende was verzekerd, dat moet worden aangenomen dat door deze Commissie – zonder het aanzoeken van externe deskundigen – geen verantwoord advies omtrent het subsidieverzoek van appellante kon worden uitgebracht.

In hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, vindt de Afdeling onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van een zodanig gebrek aan deskundigheid dat de Staatssecretaris niet van het advies van de Raad gebruik heeft mogen maken. Voorts is in dit verband van belang dat, ingevolge artikel 2d van de Wsc gelezen in samenhang met artikel 3 van de Beleidsregels benoemingen Raad voor Cultuur (Stcrt. 1997, 8), bij de benoeming van de leden van de Raad rekening wordt gehouden met bepaalde aandachtsgebieden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betreft het hier niet de aandachtsgebieden binnen de Commissie Muziek, doch de aandachtsgebieden van de verschillende terreinen van de cultuur waarover de Raad adviseert die bij de benoeming van zijn leden voldoende herkenbaar aanwezig dienen te zijn. De aanwezigheid van een meer specifieke expertise op bepaalde terreinen van de muziek bij de leden van de Commissie Muziek is ingevolge de Wsc en de Benoemingsregeling niet vereist. Dat de Raad ervan heeft afgezien terzake jazzmuziek specifiek deskundige derden te raadplegen, mede omdat niet kan worden uitgesloten dat daarmee materiaal van appellante van na 22 mei 1996 ten behoeve van het advies zou worden gebruikt, en omdat de onderhavige subsidieaanvraag binnen dezelfde kaders en op dezelfde voorwaarden als alle andere subsidieaanvragen voor deze periode dient te worden beoordeeld, brengt niet mee dat de Staatssecretaris van dat advies geen gebruik heeft mogen maken.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn w.g. Sparreboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

195-384.