Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200106059/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/304

Uitspraak

200106059/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. burgemeester en wethouders van Leeuwarderadeel,

2. [appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2001 heeft de gemeenteraad van Leeuwarderadeel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 22 januari 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Finkum".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 28 september 2001, kenmerk 463083, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 10 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 10 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2001, beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. G. Folmer, ambtenaar van de gemeente, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door drs. D.D. Jansen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op de kom van Finkum. Het is overwegend conserverend van aard, maar maakt aan de westkant van het dorp de bouw van maximaal acht nieuwe woningen mogelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten sub 2 kunnen zich niet met het besluit verenigen voorzover verweerders goedkeuring hebben verleend aan het aantal en de locatie van de voorziene woningen. In hun ogen zijn in het dorp meer geschikte locaties voorhanden en moeten op de nu gekozen locatie terpresten met cultuurhistorische waarden worden afgegraven. In het bijzonder zijn zij van mening dat de afstand van de woningbouwlocatie tot hun paardenhouderij te klein is.

2.3.1. Verweerders hebben geen reden gezien aantal en locatie van de woningen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Niettemin hebben zij aan het zuidelijke gedeelte van de bouwlocatie goedkeuring onthouden wegens het ontbreken van een faseringsregeling.

2.3.2. Gelet op het feit dat in Finkum al langere tijd niet is gebouwd en het streven om ook in de kleinste dorpen een bouwmogelijkheid voor specifieke lokale behoeften open te houden, is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid hebben kunnen instemmen met de keuze, in overeenstemming met het door de gemeenteraad opgestelde concept-woonplan, voor het aantal van acht nieuwe woningen.

De Afdeling overweegt voorts dat blijkens de plantoelichting is gekozen voor realisering van de nieuwe woningen aan de besloten westzijde van het plangebied in plaats van aan de open oostzijde. Aan de westzijde kan bovendien de wens van “wonen aan het water” mogelijk worden gemaakt en ook overigens past deze invulling binnen het bebouwingspatroon van Finkum. Onderzoek van een archeologisch adviesbureau heeft aangetoond dat ter plaatse geen terpresten met cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het bestaan van alternatieve locaties kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet.

2.3.3. Met betrekking tot de afstand tot de paardenhouderij overweegt de Afdeling als volgt. Na verwezenlijking van de nieuwe woningen ten westen van de paardenhouderij kan overeenkomstig het plan de kortste afstand minder dan 50 meter bedragen.

De precieze locatie en inrichting van de nieuwe woningen is in het bestemmingsplan echter nog niet vastgelegd. Bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring als bedoeld in overweging 2.3.1. is het niet uitgesloten dat de nieuwe woningen op minimaal 50 meter van de paardenhouderij kunnen worden gebouwd, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de uitgangspunten die golden bij de keuze van deze plek. Met name het “wonen aan het water” blijft mogelijk. Voorts overweegt de Afdeling dat de normen van de in de stukken ter sprake gebrachte VNG-brochure indicatief van aard zijn, waardoor onder omstandigheden met een kortere afstand kan worden volstaan. Door middel van nadere eisen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b van de planvoorschriften kan de hinder van de paardenhouderij verder worden beperkt. De Afdeling is van oordeel dat verweerders niet aannemelijk hebben behoeven te achten dat de paardenhouderij onevenredig in haar mogelijkheden wordt belemmerd.

2.4. Appellanten sub 1 kunnen niet instemmen met de onthouding van goedkeuring aan ongeveer tweederde gedeelte van het gebied met de bestemming “Dorpsgebied”, bestemd voor de bouw van acht nieuwe woningen. De door verweerders gevraagde gefaseerde bouw kan volgens hen worden bewerkstelligd door middel van gronduitgifte overeenkomstig de in de notitie Uitgiftebeleid Bouwgrond vastgelegde methodiek. Voorts is de vrees voor een overmaat aan capaciteit ongegrond, gezien het beperkte aantal woningen en de keuze voor een selectieve uitgifte. De diversiteit van de te bouwen woningen wordt gewaarborgd door een projectmatige aanpak, aldus appellanten.

Appellanten sub 2 menen dat de door verweerders geëiste fasering niet concreet genoeg is.

2.4.1. Verweerders zijn van mening dat een harde, in het bestemmingsplan opgenomen, faseringregeling in perioden van 2 tot 3 jaar noodzakelijk is om te voorkomen dat de bedoelde woningen in één keer worden verwezenlijkt en verkocht aan gegadigden zonder sociale of economische binding met Finkum. Fasering is voorts gunstig voor de verscheidenheid in het bebouwingsbeeld.

2.4.2. Het provinciale beleid, zoals neergelegd in de Handleiding Gemeentelijke Plannen en de beleidsnotitie “Wenjen yn Fryslân” is er op gericht een overmaat aan planologische woningbouwcapaciteit te voorkomen en de planologische capaciteit op evenwichtige wijze te verwezenlijken door middel van fasering. In principe wordt hiertoe gewerkt met perioden van vijf jaar. Indien het bouwtempo in recentere jaren hoger is geweest dan gewenst, kan een strakkere fasering in perioden van 2 tot 3 jaar worden geëist. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Niet is gebleken dat bij de toepassing van dit beleid is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden of dat relevante aspecten buiten behandeling zijn gelaten.

De beroepen van appellanten geven voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in dit concrete geval hun beleid niet juist hebben toegepast dan wel niet aan hun beleid hebben kunnen vasthouden. In de periode 1993-1997 is in Leeuwarderadeel 53 % van het richtgetalvolume verwezenlijkt, terwijl dat percentage voor de rest van Friesland 34 % bedroeg. Het bestemmingsplan maakt de bouw van acht woningen bij recht mogelijk. Gelet op het veertigtal woningen in Finkum kan worden gesproken van een forse uitbreiding van de capaciteit. Voorts is de beleidsnotitie waarnaar appellanten sub 1 verwijzen, althans ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet vastgesteld door de gemeenteraad en biedt deze, in tegenstelling tot een regeling in een bestemmingsplan, geen garantie dat de woningen daadwerkelijk gefaseerd worden gebouwd.

Dat een faseringsregeling niet noodzakelijk is voor het waarborgen van de diversiteit van de bebouwing, zoals appellanten sub 1 betogen, is niet van belang, nu de door verweerders geëiste fasering slechts het reguleren van de woningbouwcapaciteit tot doel heeft.

Voorzover appellanten sub 1 vrezen dat een gefaseerde aanleg van de infrastructuur zal leiden tot hogere kavelprijzen waardoor een kostendekkende uitvoering van het plan onmogelijk wordt, is de Afdeling van oordeel dat de fasering slechts ziet op de bouw van woningen en niet op de aanleg van de infrastructuur.

Tenslotte overweegt de Afdeling dat de door verweerders geëiste fasering in perioden van 2 tot 3 jaar bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan concreet zal worden ingevuld.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het betrokken plandeel.

2.5. Appellanten sub 1 kunnen voorts niet instemmen met de onthouding van goedkeuring aan het plandeel dat betrekking heeft op een deel van het perceel [locatie] waaraan de bestemming “Dorpsgebied” is gegeven, omdat aan het betrokken perceel een bestemmingsregeling had moeten worden toegekend ten behoeve van de ter plaatse bestaande paardenhouderij. In hun ogen past een bedrijfsmatige paardenhouderij niet in een dorpsgebied. Voorts is de afstand tot de omliggende bouwpercelen uit milieuhygiënisch oogpunt te klein.

2.5.1. Verweerders zijn van oordeel dat na herziening van het bestemmingsplan een afstand van minimaal 50 meter van de paardenhouderij tot de dichtstbijzijnde (nieuwe) bebouwing kan worden gerealiseerd, welke afstand uit milieuhygiënisch oogpunt voldoende is.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat het perceel ligt aan de rand van, maar binnen de bebouwde kom van Finkum en valt onder de bestemming “Dorpsgebied”. Appellanten sub 2 bedrijven ter plaatse al 15 jaar hobbymatig een paardenhouderij. Op het terrein worden momenteel 6 paarden gestald en wordt rijles gegeven. Appellanten sub 2 beschikken voorts over een onherroepelijke vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor maximaal 12 paarden. De bestemming “Dorpsgebied” laat een paardenhouderij niet toe.

De kortste afstand van de paardenhouderij tot bestaande woningen bedraagt nu meer dan 50 meter, welke afstand in overeenstemming is met de normen uit de VNG-brochure die gelden voor paardenfokkerijen en maneges. Niet is gebleken dat de paardenhouderij onevenredige hinder veroorzaakt of dat van een grotere afstand moet worden uitgegaan.

De Afdeling overweegt voorts, dat het, gelet op de ruimte die het gemeentebestuur nog heeft bij de keuze van de exacte bouwlocatie van de nieuwe woningen en de indicatieve normen uit de VNG-brochure, waarop in overweging 2.3.3. reeds is ingegaan, is het voorts niet onmogelijk de nieuwe woningen westelijk van de paardenhouderij te bouwen zonder dat hierbij milieuhygiënische knelpunten ontstaan.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening voor zover de paardenhouderij in het bestemmingsplan niet als zodanig is bestemd. Zij hebben daarom terecht goedkeuring onthouden aan het betrokken plandeel.

2.6. Appellanten sub 2 hebben tenslotte aangevoerd dat de mogelijkheid ontbreekt een aarden wal tussen de nieuwbouwlocatie en hun paardenhouderij op te werpen en het plan voorts niet voorziet kleinschalige recreatie op hun perceel toe te staan.

2.6.1. Verweerders zien planologische noch milieuhygiënische redenen voor het opwerpen van een wal. Voorts passen kleinschalige recreatieve functies volgens hen niet in een dorp met hoofdzakelijk woonfuncties.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat voor het beperken van de hinder van de paardenhouderij een aarden wal niet nodig is. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat een extra afscherming noodzakelijk is. Verweerders hebben zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat de bij de bouw van de nieuwe woningen vrijkomende grond niet wordt aangewend voor het opwerpen van een wal.

De Afdeling overweegt voorts dat appellanten sub 2 hun perceel mede willen gebruiken voor het zogenoemde “kamperen bij de boer”. Blijkens de toelichting en de planvoorschriften is verblijfsrecreatie enkel gewenst en toegestaan rond het haventje van Finkum. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verblijfsrecreatie niet past in een dorp met hoofdzakelijk woonfuncties.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7. Mitsdien zijn de beroepen ongegrond.

2.8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

178-410.