Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200200313/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200313/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

mr. P.C.M. van Schijndel, kantoor houdend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 6 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2000 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te

's-Gravenhage de vergoeding voor door appellant verleende rechtsbijstand toegekend op basis van 30 uren.

Bij besluit van 26 februari 2001 heeft de raad voor rechtsbijstand te

’s-Gravenhage (hierna: de raad) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en een vergoeding toegekend op basis van 38 uren. Dit besluit en het advies van de commissie voor bezwaar en beroep, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 december 2001, verzonden op 12 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht van 17 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 18 juni 2002 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat de beslissing op administratief beroep, waarbij de vergoeding is vastgesteld op 38 uren, de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van belang of appellant al dan niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op 19 april 1994 gevraagde toevoeging ten onrechte is geweigerd. Van belang is slechts dat appellant de weigering van deze aanvraag bij het primaire besluit van 31 mei 1994 niet in rechte heeft aangevochten.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van zijn betoog bij de rechtbank en kan niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

238.