Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200103394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1359

Uitspraak

200103394/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 28 mei 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Castricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: burgemeester en wethouders) appellanten onder oplegging van een dwangsom van ƒ 20.000,-- ineens gelast vóór 14 april 2000 de doorgang tussen de panden [locatie 1] en [locatie 2] te Castricum door middel van metselwerk en overeenkomstig de bepalingen van het Bouwbesluit te sluiten, zodat gebruik als doorgang op geen enkele wijze meer tot de mogelijkheden behoort.

Bij besluit van 26 april 2000 hebben burgemeester en wethouders appellanten onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven de doorgang tussen de panden [locatie 1] en [locatie 2] vóór donderdag 27 april 2000 15.00 uur op permanente wijze en overeenkomstig de bepalingen van het Bouwbesluit te sluiten zodat gebruik als doorgang op geen enkele wijze meer tot de mogelijkheden behoort.

Bij besluit van 27 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar gericht tegen de besluiten van 4 april 2000 en 26 april 2000 ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2001, verzonden op 30 mei 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 november 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2002, waar appellanten, in persoon, bijgestaan door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J.W.C.M. van Westing, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Dorpskom Castricum” zijn de panden deels gelegen op grond met de bestemming “Horecabedrijven” en voor een klein deel op grond met de bestemming “Erf”. De muur waarin de doorgang is gemaakt staat op grond met de bestemming “Erf”.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften dienen de voor-, zij-, en achtergevels in de op de kaart aangegeven bebouwingsgrenzen te worden geplaatst.

Ingevolge artikel 1, onder g, van de planvoorschriften wordt onder bebouwingsgrenzen verstaan: “de op de kaart blijkens een daarop voorkomende verklaring als zodanig aangegeven lijnen, welke bij het bouwen niet mogen worden overschreden, tenzij in deze voorschriften anders is bepaald”.

Ingevolge artikel 1, onder h, van de planvoorschriften wordt onder een bebouwingsstrook, -vlak verstaan: ”een door bebouwings- en/of bestemmingsgrenzen op de kaart aangegeven strook of vlak, waarbinnen ingevolge deze voorschriften bepaalde gebouwen mogen worden opgericht”.

2.2. Uit de situering van de bebouwingsgrenzen op de plankaart in samenhang met de planvoorschriften volgt dat een horecabedrijf niet meer dan één bouwvlak mag beslaan. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de doorgang leidt tot een zodanige verwevenheid van de twee ter plaatse gevestigde horecabedrijven, dat uit planologisch oogpunt een horecabedrijf dat meer dan één bouwvlak beslaat ontstaat.

De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat het maken van de doorgang niet kan worden aangemerkt als het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet, zodat daarvoor een bouwvergunning is vereist.

De rechtbank heeft burgemeester en wethouders dan ook terecht bevoegd geacht tot het opleggen van de last onder dwangsom.

2.3. Anders dan appellanten betogen heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de door appellanten aangebrachte afsluiting niet voldeed aan de in de last gestelde eisen. De omstandigheid dat deze afsluiting wel zou voldoen aan de eisen voor brandwerendheid neemt immers niet weg dat deze afsluiting op eenvoudige wijze weer ongedaan kon worden gemaakt. Burgemeester en wethouders waren derhalve eveneens bevoegd om te besluiten tot toepassing van bestuursdwang.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisering. Anders dan appellanten betogen is daarvan in dit geval geen sprake. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het maken van de doorgang in strijd is met de bestemming “Erf”. Verder zijn burgemeester en wethouders niet bereid vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De omstandigheid dat de muur waarin de doorgang is gerealiseerd gebouwd is met een bouwvergunning kan, anders dan appellanten willen, niet leiden tot het oordeel dat de doorgang toegestaan is.

2.5. Het betoog van appellanten dat de overlast op straat na 12 uur ’s nachts wordt verminderd, doordat bezoekers gebruik kunnen maken van de doorgang om van de ene horecaruimte in de andere te komen, betekent niet dat sprake is van een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin. Deze omstandigheid doet immers niet af aan de inbreuk op het planologische regime.

2.6. De rechtbank heeft ten slotte met juistheid overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de te verbeuren dwangsom onredelijk hoog is.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

17-387.