Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200105899/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105899/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders van Liemeer het wijzigingsplan "Landelijk gebied Mijdrecht, 3e wijziging (Traverse Vrouwenakker)" vastgesteld. Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 23 oktober 2001, kenmerk DRGG/ARB/01/7366A, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben verweerders geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2002, waar appellante in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.M. de Haas-Rood, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens burgemeester en wethouders M.W. Hijman, ambtenaar van de gemeente, aldaar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan voorziet in de reconstructie van de aansluiting van het Nieuwveens Jaagpad en de Ruigekade op de onder provinciaal wegbeheer vallende Vrouwenakker (N231) alsmede in de aanleg van een vrijliggend fietspad. Hiertoe zijn de bestemmingen van de aan de Vrouwenakker ter plaatse van het plangebied gelegen percelen, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan “Landelijk gebied Mijdrecht”, gedeeltelijk gewijzigd in de bestemming “Verkeersvoorzieningen”.

2.2. Appellante, die aan de [locatie] woont, voert aan dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd nu hierdoor verkeersdrempels en verhogingen in de weg kunnen worden aangebracht. Zij stelt in haar woongenot te worden aangetast en schade aan de woning te zullen ondervinden. Dit klemt volgens haar des te meer nu op korte afstand een transportbedrijf is gevestigd.

2.3. Burgemeester en wethouders stellen in hun reactie op het beroepschrift dat de aanleg van verkeersdrempels en de plaats daarvan niet in het bestemmingsplan en het wijzigingsplan worden geregeld. Verder prevaleert volgens het college het algemeen verkeersbelang boven het persoonlijk belang van appellante.

2.4. Verweerders hebben geen aanleiding gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit goedgekeurd. Zij sluiten zich aan bij het standpunt van burgemeester en wethouders.

2.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan, voorzover hier van belang, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen binnen bij het plan te bepalen grenzen.

Burgemeester en wethouders kunnen ingevolge artikel 31, elfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Mijdrecht” het bestemmingsplan wijzigen in een bestemming “Verkeersvoorzieningen” uitsluitend ten behoeve van het beloop van ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande wegen, de verbreding van deze bestaande wegen en de aanleg van fiets- en voetpaden, mits a. verkeerskundig onderzoek heeft aangetoond dat deze werken wenselijk zijn en b. overigens wordt voldaan aan artikel 24 van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 24 van deze voorschriften zijn de op de plankaart voor “Verkeersvoorzieningen” aangewezen gronden bestemd voor wegen met de daarbij behorende voorzieningen voor (brom-)fietsers en voetgangers, voorzieningen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid, zoals verkeersgeleiders, lichtmasten, bewegwijzering, verkeersborden, praatpalen, verkeerslichten, vangrails, bermplanken, halteplaatsen, parkeervoorzieningen en begeleidende groenvoorzieningen.

Niet in geding is dat aan de wijzigingsregels is voldaan. Evenmin is in geding dat het plan in verkeerskundig opzicht een verbetering met zich brengt. Het beroep van appellante beperkt zich tot de inrichting van de Vrouwenakker (N231) in de vorm van snelheidsbeperkende maatregelen. Zoals ter zitting is gebleken, is voor de plankaart gebruik gemaakt van een civieltechnische ondergrond voor een toekomstige mogelijke inrichting. Deze ondergrond is als zodanig niet bindend en de aanleg van drempels en verhogingen en de plaats daarvan volgen derhalve niet dwingend uit het plan. Tevens blijkt uit de stukken dat burgemeester en wethouders geen inrichtingsdetails in de vorm van snelheidsbeperkende maatregelen in het plan hebben willen vastleggen om de nodige flexibiliteit bij de inrichting te kunnen behouden. De Afdeling acht dit niet onredelijk of onjuist.

Ter zitting is onweersproken gesteld dat uit deskundigenonderzoek is gebleken dat schade aan de woning van appellante bij aanleg van een verkeersdrempel of een verkeersplateau niet kan worden uitgesloten. Van de zijde van verweerders is hierop gesteld dat verlegging van verkeersdrempels ten opzichte van de op de plankaart indicatief aangegeven plaatsen dan wel de vaststelling van andere snelheidsbeperkende maatregelen uitdrukkelijk in overweging wordt genomen.

2.5.1. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Van Onselen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

178-371.