Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4606

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200104522/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.26
Wet milieubeheer 20.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/738
Milieurecht Totaal 2002/5461

Uitspraak

200104522/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

burgemeester en wethouders van Harderwijk,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2001 hebben verweerders met toepassing van artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gedeeltelijk ingetrokken de aan [vergunninghouder] krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning, veranderings- en uitbreidingsvergunningen voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit aangehechte besluit is op 31 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 10 september 2001, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door J.L. Essenburg en W. van Norden-Luders, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bij het bestreden besluit ingetrokken veebestand betreft 173 vleesvarkens en 4.400 legkippen. Intrekking van de vergunning voor het genoemde veebestand vindt plaats in verband met toepassing van de saldomethode als geregeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet), ten behoeve van vergunningverlening voor de inrichting aan [locatie] te [plaats] (hierna: de begunstigde inrichting).

2.2. Appellante voert aan dat in strijd met artikel 20.3 van de Wet milieubeheer in het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de intrekking in werking treedt op het moment dat de aanvraag voor de begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, in werking na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn van zes weken. Indien binnen die termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, treedt het besluit in werking nadat op het verzoek is beslist.

2.2.2. In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de beschikking pas geƫffectueerd wordt op het moment dat de vergunning voor de begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden.

De Afdeling verstaat het bepaalde in het dictum aldus dat bij het besluit de vergunning wordt ingetrokken onder de opschortende voorwaarde dat de vergunning voor de begunstigde inrichting onherroepelijk is geworden. Het systeem van de Wet milieubeheer noopt er niet toe dat het moment waarop het besluit in werking treedt en het moment waarop de materiƫle gevolgen hiervan optreden samenvallen. De in artikel 20.3, eerste lid, opgenomen regeling met betrekking tot de inwerkingtreding van een besluit staat er dan ook niet aan in de weg dat de intrekking van de vergunning onder opschortende voorwaarde plaatsvindt. Ook in hetgeen appellante voor het overige in dit verband heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.3. Voorzover appellante aanvoert dat in het intrekkingsbesluit dient te worden bepaald ten behoeve van welke vergunningaanvraag voor de begunstigde inrichting de intrekking plaatsvindt, overweegt de Afdeling dat deze stelling geen steun vindt in het recht. Voorzover appellante aanvoert dat, nu dit in het bestreden besluit niet is bepaald, bij vergunningverlening voor de begunstigde inrichting onduidelijk is of aan de onmiddellijke samenhang als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Interimwet wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande intrekkingsbesluit en om die reden niet kan slagen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Gemert

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

243-373.