Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200104898/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104898/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Harenkarspel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2001 hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de vennootschap onder firma [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een bloembollenkwekerij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Harenkarspel, sectie […], nummers […] en […] (gedeeltelijk). Dit aangehechte besluit is op 24 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2002, waar appellant en verweerders, vertegenwoordigd door F.G. Allard en R.M. Vos, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het veranderen van een bloembollenkwekerij voor het verwerken en prepareren van bloembollen.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant betoogt dat de aanvraag onvolledig is nu in onderdeel 2 van de aanvraag niet is aangegeven wat de verandering van de inrichting inhoudt. Voorts is hij van mening dat onderdeel 14 van de aanvraag, dat betrekking heeft op lozing van bedrijfsafvalwater, ten onrechte niet van toepassing is verklaard nu uit onderdeel 3 van de aanvraag blijkt dat er lozingen plaatsvinden waarvoor een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren noodzakelijk is en dat een spoelinrichting deel uitmaakt van het geheel.

2.3.1. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellant voert aan dat er onduidelijkheid bestaat omtrent het aantal ventilatoren dat ten tijde van de verschillende meetmomenten in werking was. Voorts stelt hij dat het onduidelijk is of de geluidreducerende maatregelen die vóór 1 juli 2001 dienden te worden getroffen, ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Verder stelt appellant dat in het akoestisch onderzoek niet van de juiste uitgangspunten is uitgegaan, nu meetpositie 1 ten onrechte niet als geluidgevoelige ruimte is beschouwd.

2.4.1. Het akoestisch rapport gaat uit van veertien ventilatoren, waarvan zes in de meest noordelijke cel die per uur gemiddeld 15 minuten in werking zijn, vier in de middelste cel die ook gemiddeld vijftien minuten in werking zijn en vier ventilatoren in de meest zuidelijke cel die gedurende het gehele etmaal in werking zijn. Het gaat hier om het aangevraagde aantal ventilatoren met de daarbij behorende bedrijfsduur. Derhalve is uitgegaan van het correcte aantal ventilatoren en de juiste bedrijfsduur daarvan, zodat dit beroepsonderdeel faalt.

2.4.2. Verweerders erkennen dat nog niet alle geluidreducerende maatregelen zijn getroffen. Zij stellen zich op het standpunt dat uit het aanvullend akoestisch onderzoeksrapport van 13 november 2001 blijkt dat de in het akoestisch onderzoeksrapport van 25 april 2000 aangegeven akoestische voorzieningen in de nachtperiode voldoende geluidreductie bewerkstelligen voor de slaapkamer op de begane grond van de woning van appellant.

2.4.3. Tot de aanvraag om vergunning behoort een akoestisch onderzoeksrapport van 25 april 2000, opgesteld door adviesbureau Peutz & Associés B.V., kenmerk FA 4572-1 (hierna: het akoestisch onderzoeksrapport). In dit rapport worden maatregelen genoemd die kunnen worden getroffen teneinde aan de in voorschrift D.1 gestelde grenswaarde van 35 dB(A) in de nachtperiode te kunnen voldoen. Nu blijkens het bestreden besluit de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, dient vergunninghoudster de in voornoemd rapport genoemde voorzieningen aan te brengen. Indien vergunninghoudster dit niet doet, kan appellant verweerders verzoeken om handhavend op te treden.

Met betrekking tot meetpositie 1 overweegt de Afdeling als volgt. Weliswaar is in het akoestisch onderzoek van 25 april 2000 geen rekening gehouden met het feit dat de slaapkamer van appellant (meetpositie 1) zich op de begane grond bevindt, maar uit het aanvullend akoestisch onderzoeksrapport van 13 november 2001 blijkt dat de in het akoestisch onderzoeksrapport van 25 april 2000 genoemde voorzieningen eveneens voldoende geluidreductie opleveren voor de op de begane grond gelegen slaapkamer. Ook blijkens het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak zal het in werking zijn van de ventilatoren volgens de representatieve bedrijfssituatie niet leiden tot overschrijding van de gestelde geluidgrenswaarden. Ter zitting hebben verweerders medegedeeld dat zij recent meerdere controlemetingen hebben verricht, waaruit bleek dat terwijl de ventilatoren in werking waren in een representatieve bedrijfssituatie de gestelde geluidgrenswaarden niet werden overtreden. In aanmerking nemende dat appellant slechts twijfel heeft geuit of deze grenswaarden wel gehaald kunnen worden zonder deze twijfel akoestisch te onderbouwen, ziet de Afdeling geen feitelijke grondslag voor de veronderstelling van appellant dat de voorgeschreven voorzieningen onvoldoende zouden zijn om te kunnen voldoen aan de in de vergunning voorgeschreven geluidgrenswaarden, ook voor de op de begane grond gelegen slaapkamer in zijn woning. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellant stelt dat de inrichting tot het moment van het verlenen van het bestreden besluit in strijd met de Wet milieubeheer in werking is geweest. Dit bezwaar heeft geen betrekking op het bestreden besluit als zodanig en kan reeds hierom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voorzover appellant betoogt dat vanwege het aanhangig zijn van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden het bestreden besluit niet mocht worden genomen, is de Afdeling van oordeel dat in de wet noch elders een beletsel is te vinden om in een dergelijke situatie vergunning te verlenen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

179-353.