Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200100623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200100623/1.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 1995 heeft de stadsdeelraad van Amsterdam Zuid (thans: Oud-Zuid), vastgesteld het bestemmingsplan "Het Museumplein 1995".

Het besluit van de stadsdeelraad is aan deze uitspraak gehecht.

Namens verweerders is bij besluit van 1 mei 1996, kenmerk 95-713691, beslist over de goedkeuring van dit plan.

Bij uitspraak van 23 september 1999, no. E01.96.0205, heeft de Afdeling het besluit van 1 mei 1996 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand dienen te blijven, behoudens voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Tuinen 1 (T1)” aan de [locatie]. Verweerders hebben daarna bij hun besluit van 14 november 2000, kenmerk 2000-14524, opnieuw beslist over de goedkeuring van dit plandeel van het bestemmingsplan “Het Museumplein 1995”. Dit besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het gebied dat wordt begrensd door de Singel, de Boerenwetering, de Honthorststraat, de Johannes Vermeerstraat, het Museumplein, de Gabriël Metsustraat, de Van Baerlestraat, de Paulus Potterstraat en de Jan Luijkenstraat.

Het plan heeft tot doel de samenhang tussen het Museumplein en de daarbij behorende bebouwing te waarborgen.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellant stelt zich op het standpunt dat niet alleen aan degene wiens bedenkingen aanleiding hebben gegeven tot het nemen van het bestreden besluit maar aan een ieder die bedenkingen heeft ingediend, een afschrift van het besluit dient te worden toegezonden.

Daarnaast stelt appellant dat na de vernietiging van het goedkeuringsbesluit van 1 mei 1996 door de Afdeling, verweerders ten onrechte opnieuw een goedkeuringsbesluit hebben genomen. Appellant is hieromtrent van mening dat de stadsdeelraad van Amsterdam Oud-Zuid zelf een nieuw plan had moeten vaststellen. Volgens hem is het besluit van verweerders dan ook genomen in strijd met artikel 30, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.5. Bij besluit van 1 mei 1996 is goedkeuring aan het bestemmingsplan verleend. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 september 1999, no. E01.96.0205, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand dienen te blijven, behoudens voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Tuinen 1 (T1)” aan de [locatie]. Hieruit volgt dat verweerders ten aanzien van dit plandeel opnieuw dienden te beslissen. Dat de Afdeling in voornoemde uitspraak geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet aan deze plicht niet af.

Verweerders hebben in het bestreden besluit vervolgens goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Tuinen 1 (T1)” betreffende de tuin bij het pand [locatie]. Volgens verweerders wordt door dit besluit recht gedaan aan de ter plaatse bestaande situatie.

2.6. Ten aanzien van het bezwaar van appellant tegen het niet toezenden van een afschrift van het bestreden besluit aan een ieder die bedenkingen heeft ingediend, kan het volgende worden opgemerkt.

Ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is voorgeschreven dat een afschrift van het bestreden besluit van gedeputeerde staten omtrent de goedkeuring van een plan wordt toegestuurd aan hen die bedenkingen hebben ingebracht krachtens artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De Afdeling is van oordeel dat verweerders, nu na vernietiging door de Afdeling sprake is van een nieuw besluit omtrent goedkeuring dat slechts op een deel van het plan ziet, niet van een onjuiste opvatting zijn uitgegaan door het afschrift van het goedkeuringsbesluit alleen te sturen naar degene wiens bedenkingen betrekking hebben op het ter goedkeuring voorliggende plandeel.

2.7. Wat betreft het bezwaar van appellant dat het bestreden besluit in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is genomen, oordeelt de Afdeling dat appellant uitgaat van een onjuiste opvatting. Wat betreft het betrokken plandeel was tot de datum van het bestreden besluit van 14 november 2000 geen sprake van een onthouding van goedkeuring. Artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening miste derhalve toepassing. Hieruit volgt dat artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet in de weg stond aan het nemen van het bestreden besluit.

2.8. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen of voorbereid in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Gastel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

261-416.