Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
200104701/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104701/2.

Datum uitspraak: 26 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam,

4. [appellant sub 4], te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Uden,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2001, kenmerk 1997/21, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 4 vergunning verleend en gedeeltelijk geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Uden, sectie […], nummer […]. Dit aangehechte besluit is op 29 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2001, appellant sub 2 bij brief van 1 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2001, appellante sub 3 bij brief van 18 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2001, en appellant sub 4 bij brief van 1 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 oktober 2001. Appellant sub 4 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2, appellant sub 4 en verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2002, waar appellanten sub 1, van wie [partij] en [partij] in persoon, bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, advocaat te Tilburg, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Veghel, appellante sub 3, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, appellant sub 4, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. W.A.E. Braam, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een oprichtingsvergunning verleend voor het houden van 3.468 vleesvarkens in Groen Label-stallen BB.96.10.043V1. De vergunning is geweigerd voor het houden van 172 vleesvarkens.

2.2. Ter zitting heeft appellant sub 2 de beroepsgrond met betrekking tot het inbrengen van een mondelinge zienswijze ingetrokken.

2.3. Appellanten sub 1 en sub 2 hebben als formeel bezwaar tegen de vergunningverlening aangevoerd dat ten onrechte geen milieu-effectrapport is opgesteld. Zij hebben daartoe betoogd dat als datum van de vergunning-aanvraag niet moet worden uitgegaan van 16 april 1997, maar van 7 juni 2001. Dan is volgens het Besluit milieu-effectrapportage zoals gewijzigd in 1999, het maken van een milieueffectrapport verplicht.

Uit de stukken blijkt dat de vergunningaanvraag op 16 april 1997 door verweerders is ontvangen. Op 7 juni 2001 is een wijziging op deze aanvraag ingediend. Deze wijziging heeft betrekking op een verbeterde versie van het aangevraagde Groen Label-huisvestigingssysteem. Naar het oordeel van de Afdeling is deze wijziging niet zodanig ingrijpend van aard dat moet worden geoordeeld dat sprake is van een nieuwe aanvraag. Als datum van de aanvraag zijn verweerders derhalve terecht uitgegaan van 16 april 1997. Op grond van de alsdan vigerende regelgeving behoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Als belangrijkste bezwaar is door appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 aangevoerd dat de vergunningverlening in strijd is met het ter plaatse geldende ammoniakreductieplan. In een oprichtingssituatie als de onderhavige geldt, gezien het ammoniakreductieplan, als uitgangspunt het emissie-stand-still-beginsel en aan dit beginsel wordt volgens hen niet voldaan. Zij zijn van mening dat verweerders ten onrechte toepassing hebben gegeven aan de in het ammoniakreductieplan opgenomen beste-locatiemethode, aangezien deze methode slechts kan worden toegepast bij het samenvoegen van reeds bestaande bedrijven op de beste locatie of bij hervestiging van een reeds bestaand bedrijf, en niet wanneer er sprake is van nieuwvestiging.

2.4.1. Verweerders erkennen dat het bestreden besluit leidt tot een toename van de ammoniakemissie op inrichtingsniveau. Zij staan op het standpunt dat deze toename is toegestaan op grond van de in het ammoniakreductieplan opgenomen beste-locatiemethode, welke het onder andere mogelijk maakt een veehouderij te hervestigen op een gunstiger locatie. In verband hiermee hebben zij bij besluit van 27 augustus 1999 de milieuvergunning van [vergunninghouder] voor een veehouderij te [plaats], gemeente Uden, ingetrokken ten behoeve van de vestiging van de onderhavige veehouderij in Odiliapeel.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Interimwet ammoniak en veehouderij (hierna: de Interimwet), zoals die destijds luidde, moet een vergunning voor een veehouderij worden geweigerd, voorzover de ammoniakdepositie die de veehouderij kan veroorzaken op het dichtstbijgelegen voor verzuring gevoelige gebied, meer bedraagt dan de ingevolge de artikelen 4 tot en met 8 voor de betrokken veehouderij geldende waarde.

Ingevolge artikel 4 van de Interimwet geldt voor een veehouderij als waarde voor de ammoniakdepositie ten hoogste 15 mol, behoudens in gevallen, aangegeven in de artikelen 5 tot en met 8.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van de Interimwet kan de raad van een gemeente dan wel kunnen de raden van twee of meer gemeenten een plan vaststellen ter beperking van de ammoniakdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden en van de ammoniakemissies, die door veehouderijen in zijn onderscheidenlijk hun gemeenten worden veroorzaakt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan in het plan worden bepaald dat voor veehouderijen een daarbij aangegeven hogere waarde geldt dan ingevolge de artikelen 4 tot en met 7 van de wet is toegestaan, indien in onmiddellijke samenhang daarmee de ammoniakdepositie die wordt veroorzaakt door een andere veehouderij, door intrekking of wijziging van de vergunning voor die veehouderij met het oog op het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen daarvan op verzoek van degene die de veehouderij drijft, zodanig vermindert dat de totale ammoniakdepositie op de in de betrokken gemeenten gelegen voor verzuring gevoelige gebieden afneemt en de totale ammoniakemissie van de veehouderijen in de betrokken gemeenten daalt.

2.4.3. Hoofdstuk 4 van het ammoniakreductieplan bevat de uitgangspunten van het plan, waaronder het emissie-standstill-beginsel. In paragraaf 4.4 is dit beginsel nader uitgewerkt. Bepaald is dat het emissie-stand-still-beginsel van toepassing is op alle mogelijke situaties waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd, waarbij de ammoniakemissie op inrichtingsniveau zou kunnen toenemen. Voorts is bepaald dat van het emissie-stand-still-beginsel op inrichtingsniveau in een beperkt aantal gevallen en onder specifieke voorwaarden kan worden afgeweken. Hiervan is volgens het ammoniakreductieplan sprake indien onder meer de beste-locatiemethode kan worden toegepast.

In paragraaf 5.3 van het ammoniakreductieplan is de beste-locatiemethode opgenomen. Hierin is, voor zover hier van belang, bepaald dat op grond van deze methode hervestiging van een veehouderij op een gunstiger locatie mogelijk is, voorzover dit binnen de gemeente Uden plaatsvindt. Daarvoor moet aan een aantal specifieke voorwaarden worden voldaan.

In bijlage 4, begrippenlijst, definities gehanteerd door bureau TES, van het ammoniakreductieplan staat dat onder hervestiging moet worden verstaan: het verplaatsen van het bestaande bedrijf naar een andere locatie. Dit kan een nieuwe locatie zijn met een nieuw bouwblok of een bestaande locatie met een bestaand bouwblok met of zonder stallen.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat het ammoniakreductieplan de mogelijkheid biedt om door toepassing van de beste-locatiemethode, en wel door hervestiging van een veehouderij op een gunstiger locatie, af te wijken van het emissie-stand-still-beginsel. Het begrip ‘hervestiging’ in het ammoniakreductieplan houdt blijkens de definitie gegeven in bijlage 4 van het ammoniakreductieplan in dat hiervan slechts sprake is indien een bestaande veehouderij van een bepaalde locatie in de gemeente Uden naar een andere locatie aldaar wordt verplaatst. Anders dan verweerders stellen, is geen sprake van hervestiging in de zin van het ammoniakreductieplan indien de vergunning voor een veehouderij wordt ingetrokken ten behoeve van de oprichting ofwel nieuwvestiging van een geheel andere, nog niet bestaande, veehouderij elders in de gemeente Uden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling niet gebleken dat de vergunning van H. Trienekens is ingetrokken om hervestiging van de inrichting waarop diens vergunning zag, elders mogelijk te maken. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanknopingpunt om aan te nemen dat sprake is van een verplaatsing in de zin van het ammoniakreductieplan. Verweerders hebben derhalve ten onrechte toepassing gegeven aan de in het ammoniakreductieplan opgenomen beste-locatiemethode.

Gezien het vorenstaande concludeert de Afdeling dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3 van de Interimwet en het ammoniakreductieplan.

2.5. Het betoog van appellant sub 4 houdt, kort gezegd, in dat verweerders de vergunning ten onrechte gedeeltelijk hebben geweigerd. Nu reeds geconcludeerd is dat vergunningverlening in strijd is met de Interimwet en het ammoniakreductieplan, kan het beroep van appellant sub 4 niet slagen.

2.6. Het beroep van appellant sub 4 is ongegrond. De beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.7. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling voor appellant sub 4 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Uden van 21 augustus 2001, kenmerk 1997/21;

III. verklaart het beroep van appellant sub 4 ongegrond;

IV. veroordeelt burgemeester en wethouders van Uden in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 770,16, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 770,16, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de door appellante sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Uden te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Uden aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 voor appellanten sub 1, € 102,10 voor appellant sub 2 en € 204,20 voor appellante sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. H. Beekhuis, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Gemert

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002

243-324.