Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2002
Datum publicatie
01-07-2002
Zaaknummer
200201912/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Toepassing van de in art. 8:72.3 Awb neergelegde bevoegdheid door voorzieningenrechter dient in casu expliciet verzocht te worden.

Afwijzing van aanvraag om verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage heeft het daartegen door verweerder ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid, voorzien in art. 8:72.3 Awb, om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten faalt. Voorop zij gesteld dat de in art. 8:72.3 Awb neergelegde bevoegdheid door de voorzieningenrechter ook zonder verzoek daartoe van partijen kan worden aangewend. Evenwel ligt het, gelet op de strekking van de bevoegdheid, op de weg van appellant om, indien deze meent dat de voorzieningenrechter daaraan in het voorliggende geval toepassing zou behoren te geven, hem daarom te verzoeken. Heeft hij dat niet gedaan, dan kan hij in hoger beroep in het algemeen niet met vrucht aanvoeren dat de voorzieningenrechter de bevoegdheid ten onrechte niet heeft aangewend. Gesteld noch gebleken is dat appellant de voorzieningenrechter heeft verzocht om bij een eventuele vernietiging van het besluit de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. Van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel nopen dat over het uitblijven daarvan in hoger beroep niettemin geklaagd kan worden, is evenmin gebleken.

Hoger beroep ongegrond.

De Staatssecretaris van Justitie, appellant,

mr. M. Vlasblom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad

van State

200201912/1.

Datum uitspraak: 17 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2002 in het geding tussen:

A

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van A ( hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 maart 2002, verzonden op 3 april 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 april 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, tweede lid, onder c, van de Wet op de Raad van State, kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De bestreden uitspraak is een uitspraak van de voorzieningenrechter, als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb. Ingevolge het bepaalde in voornoemd artikel 37 is uitsluitend de in die uitspraak vervatte beslissing omtrent de vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten vatbaar voor hoger beroep.

2.1.1. De voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris veroordeeld in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten en de hoogte hiervan gesteld op € 966,-- waarbij één punt is toegekend aan het verzoekschrift, één aan het beroepschrift en één aan het verschijnen ter zitting. In grief 3 wordt geklaagd dat de voorzieningenrechter ten onrechte de proceskosten niet heeft vastgesteld op € 644-- (twee punten), aangezien sprake is van samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De beslissing omtrent de gegrondheid van deze grief vergt een beoordeling van de zelfstandige inhoudelijke betekenis van het verzoekschrift ten opzichte van het in eerste aanleg ingediende beroepschrift, ter beoordeling van de door de voorzieningenrechter genomen beslissingen inzake de kostenvergoeding voor het indienen van zowel het beroepschrift als het verzoekschrift in onderling verband bezien. Uit hetgeen onder 2.1. is overwogen vloeit voort dat de Afdeling tot zo een beoordeling niet bevoegd is. De grief faalt.

2.2. Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren is afgewezen.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is het eerste lid niet van toepassing, indien het besluit de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren inhoudt.

Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien de staatssecretaris voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, binnen 48 proces-uren af te wijzen, het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder f, van het Vb 2000 wordt onder proces-uren verstaan de uren die voor het onderzoek naar de aanvraag in een aanmeldcentrum beschikbaar zijn, waarbij de uren van 22.00 tot 08.00 niet meetellen.

2.3. Onderdeel C3/12.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) luidt:

“Indien de asielzoeker tijdens de aanmeldcentrumprocedure zijn eerder afgelegde verklaringen inzake leeftijd, identiteit, nationaliteit, reisroute of het asielrelaas op essentiële punten wijzigt, kan de IND besluiten het aanmeldcentrumproces opnieuw te laten beginnen”.

2.4. In grief 1 wordt betoogd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in strijd met het Vb 2000 heeft gehandeld door de aanmeldcentrumprocedure, overeenkomstig het hierboven uiteengezette gevoerde beleid, opnieuw te laten beginnen, nadat de vreemdeling was teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat hij minderjarig was. Het beleid, neergelegd in de Vc 2000, is niet onredelijk en is niet strijdig met hetgeen in het Vb 2000 is bepaald omtrent de afhandeling van asielaanvragen binnen het aanmeldcentrum, aldus de staatssecretaris.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 december 2001 in zaak no. 200105777/1, gepubliceerd in JV 2002/44), heeft de wetgever ter bepaling of een aanvraag geschikt is om in een aanmeldcentrum te worden afgewezen een naar tijdsduur gemeten maatstaf voorgeschreven. Daarbij heeft blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Vw 2000 en de toelichting op het Vb 2000 de gedachte voorgezeten dat het vereiste dat binnen 48 proces-uren afdoende kan worden beoordeeld of de aanvraag kan worden afgewezen waarborgt dat op deze wijze slechts zaken worden afgehandeld, die geen tijdrovend onderzoek vergen.

2.5.1. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2002 in zaak no. 200201451/1, ter voorlichting van partijen in afschrift aangehecht), kan voor het aannemen dat de wettelijke termijn van 48 proces-uren voor het onderzoek naar de aanvraag in situaties, als omschreven in het hierboven weergegeven onderdeel van de Vc 2000, opnieuw aanvangt, slechts grond zijn, indien de essentie aan de asielaanvraag is ontvallen en bijgevolg in feite een nieuwe aanvraag ter behandeling voorligt.

2.5.2. Dat de vreemdeling niet minderjarig bleek te zijn, deed niet af aan de essentie van diens asielrelaas en was ook niet van wezenlijke invloed op de beoordeling door de staatssecretaris van dat relaas. In het besluit van 14 maart 2002 vormt die omstandigheid slechts een bijkomende grond voor het oordeel van de staatssecretaris dat aan de oprechtheid van de persoon van de vreemdeling, alsmede aan het geloof dat aan diens asielrelaas moet worden gehecht, afbreuk wordt gedaan. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht, zij het niet geheel op juiste gronden, geoordeeld dat het feit dat de vreemdeling zijn verklaring omtrent zijn leeftijd wijzigde, niet kon leiden tot het opnieuw opstarten van de aanmeldcentrumprocedure. Derhalve moet ervan uit worden gegaan dat het onderzoek naar de aanvraag van de vreemdeling op 9 maart 2002 om 16:50 uur is aangevangen. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de afwijzende beschikking, uitgereikt op 14 maart 2002 om 12:40 uur, niet binnen 48 proces-uren is uitgereikt. De grief faalt.

2.6. In grief 2 betoogt de staatssecretaris subsidiair dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid, voorzien in artikel 8:72, derde lid, van de Awb, om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe bestond volgens de staatssecretaris alle aanleiding, omdat de vreemdeling in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de staatssecretaris dat zijn asielaanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, bezien in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van die wet kon worden afgewezen.

2.6.1. Dat betoog faalt. Voorop zij gesteld dat de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid door de voorzieningenrechter ook zonder verzoek daartoe van partijen kan worden aangewend. Evenwel, zoals de Afdeling eveneens in voormelde uitspraak van 1 mei 2002 in zaak no. 200201451/1 heeft overwogen, ligt het, gelet op de strekking van de bevoegdheid, op de weg van de staatssecretaris om, indien deze meent dat de voorzieningenrechter daaraan in het voorliggende geval toepassing zou behoren te geven, hem daarom te verzoeken. Heeft hij dat niet gedaan, dan kan hij in hoger beroep in het algemeen niet met vrucht aanvoeren dat de voorzieningenrechter de bevoegdheid ten onrechte niet heeft aangewend.

Gesteld noch gebleken is dat de staatssecretaris de voorzieningenrechter heeft verzocht om bij een eventuele vernietiging van het besluit van 14 maart 2002 de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. Van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel nopen dat over het uitblijven daarvan in hoger beroep niettemin geklaagd kan worden, is evenmin gebleken.

2.7. Het hoger beroep is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in zoverre kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, in zoverre dit is gericht tegen de proceskostenveroordeling ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom De ambtenaar van Staat is

Lid van de enkelvoudige kamer verhinderd de uitspraak te

ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2002

43-359.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,