Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200200543/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200543/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vennootschap onder firma “De Kleding Express”, gevestigd te Yerseke,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 20 december 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Schouwen-Duiveland.

1. Procesverloop

Bij brief van 10 februari 2000 heeft de burgemeester van Schouwen-Duiveland (hierna: de burgemeester) met appellante een overgangsregeling getroffen met betrekking tot het verlenen van vergunningen ten behoeve van het organiseren van kledingverkoop.

Bij besluit van 6 april 2001 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 december 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en M.J. van den Berge, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.2.4, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1999 (hierna: de APV) is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester:

a. in of op een – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;

b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel – voor zover hier van belang - kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt alsmede vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.2. Bij brief van 10 februari 2000 is ten behoeve van appellante een overgangsregeling getroffen. Hierin geeft de burgemeester aan van het jaar 2000 tot en met het jaar 2006 voornemens te zijn positief te beschikken op vergunningaanvragen op grond van artikel 5.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV van beheerders van de dorpshuizen en verenigingsgebouwen waar appellante haar kledingverkoop wil houden, met een maximum van twintig kledingverkopen per jaar en ondanks eventuele strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.3. De Afdeling is van oordeel dat de brief van de burgemeester van 10 februari 2000 geen besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De brief strekt er slechts toe dat appellante te kennen wordt gegeven dat de burgemeester voornemens is op aanvragen die mogelijk zullen worden ingediend door personen die – anders dan appellante - vergunningplichtig zijn in de zin van artikel 5.2.4 van de APV, gedurende een bepaalde periode positief te zullen beschikken. Daarmee ontbeert deze brief het karakter van een op rechtsgevolg gericht besluit. Dit klemt des te meer, nu een mededeling zoals hier aan de orde, te weten jegens een ander dan diegene die de vergunningaanvragen zal moeten indienen, bezwaarlijk appellabel kan worden geacht. Dat die mededeling wel van belang kan zijn voor door de burgemeester te nemen appellabele besluiten, doet aan een en ander niet af.

De conclusie is dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester appellante ten onrechte in haar bezwaar ontvangen heeft.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, onder gegrondverklaring van het door appellante ingestelde beroep, de beslissing op bezwaar van 6 april 2001 vernietigen.

Nu de burgemeester met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de Afdeling aanleiding om op na te melden wijze zelf in zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. De burgemeester dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Middelburg van 20 december 2001, kenmerk Awb 01/287;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van de burgemeester van Schouwen-Duiveland van 6 april 2001, kenmerk EC/BZ/0100067;

IV. verklaart het door appellante bij de burgemeester van Schouwen-Duiveland ingediende bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt de burgemeester van Schouwen-Duiveland in de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 123,14; het bedrag dient door de gemeente Schouwen-Duiveland te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Van Tielraden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

156-391.