Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200103662/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1292

Uitspraak

200103662/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 8 juni 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij brief van 2 februari 2000 heeft het hoofd van de afdeling Openbare Ruimte en Verkeer van de gemeente 's-Hertogenbosch namens de burgemeester en burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: de burgemeester respectievelijk burgemeester en wethouders) appellant mededelingen gedaan met betrekking tot de exploitatie van zijn café "[…]" aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 7 juni 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 26 april 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 8 juni 2001, verzonden op 14 juni 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.E. Wannink, advocaat te 's-Hertogenbosch, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 2 februari 2000 heeft het hoofd van de afdeling Openbare Ruimte en Verkeer appellant – kort samengevat – meegedeeld, dat hij voor de exploitatie van het café "[…]", gevestigd in het pand [locatie] te [plaats], over vergunningen als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) en artikel 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) dient te beschikken en dat eventuele exploitatie zonder deze vergunningen niet zal worden gedoogd. Voorts is meegedeeld dat bij eventuele overtreding van de wettelijke voorschriften, waarbij ook moet worden gedacht aan het bepaalde in de artikelen 54 van de DHW en 33 van de APV, bestuursdwang zal worden toegepast door middel van een bevel tot tijdelijke sluiting van de onderhavige inrichting. Zonodig zal het pand op kosten van appellant daadwerkelijk worden afgesloten en zal door de politie strafrechtelijk worden opgetreden. Appellant is ten slotte met nadruk geadviseerd de exploitatie van het horecabedrijf niet te hervatten voordat hij de vereiste vergunning of schriftelijke toestemming heeft ontvangen.

2.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de brief van 2 februari 2000, dan wel een daarin vervatte mededeling, is gericht op rechtsgevolg en derhalve kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft deze vraag, op de in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden, ontkennend beantwoord.

2.3. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.4. Appellant bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de brief van 2 februari 2000 niet is gericht op het doen intreden van een publiekrechtelijk rechtsgevolg. Naar zijn mening moet de brief gelet op de bewoordingen ervan worden opgevat als een preventieve aanzegging van bestuursdwang.

De Afdeling volgt appellant niet in zijn betoog. Volgens vaste jurisprudentie kan een besluit tot preventieve bestuursdwangaanzegging worden genomen, indien sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift en indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechts-zekerheid ten aanzien van handhavingbeschikkingen is vereist. Voor een dergelijk besluit ontbreken in de brief van 2 februari 2000 een aantal essentiële elementen. De brief bevat een opsomming van wettelijke voorschriften, die mogelijkerwijs kunnen worden overtreden indien het café zonder de benodigde vergunningen zal worden geëxploiteerd. Weliswaar wordt aangegeven dat bestuursdwang zal worden toegepast, maar niet is aangegeven welk concreet voorschrift bij overtreding zal worden gehand-haafd en door welk bestuursorgaan. Nog daargelaten de vraag of in de brief is te lezen dat sprake is van klaarblijkelijk gevaar dat de betreffende overtreding op een zeer korte termijn zal worden begaan, ontbreekt daarin voorts de in artikel 5:25, tweede lid, van de Awb voorgeschreven aanzegging dat het bestuursorgaan de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang op de overtreder zal verhalen. Verder blijkt ook uit het advies in het slot van de brief dat de mededelingen niet het karakter dragen van het opleggen van een last. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat van een preventieve aanzegging tot bestuursdwang geen sprake is. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de brief van 2 februari 2000 slechts mededelingen van informatieve aard bevat en terecht niet als een op rechtsgevolg gericht besluit is aangemerkt. De stelling van appellant dat ook handelingen in het kader van het ambtelijk toezicht als een rechtshandeling kunnen worden aangemerkt leidt – wat daarvan ook zij – niet tot een ander oordeel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

45-393.