Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200104387/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/751
JAF 2002/23 met annotatie van Van der Meijden
M en R 2002, 239K
Milieurecht Totaal 2002/14

Uitspraak

200104387/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2001, kenmerk CE2, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de naamloze vennootschap “NV Deponie Limburg” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een stortplaats op het adres Hazenweg 1 te Weert, voor de periode tot en met 31 december 2005. Dit aangehechte besluit is op 26 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 31 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2001, beroep ingesteld. Appellanten hebben hun beroep aangevuld bij brief van 2 oktober 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 30 oktober 2001 en 20 december 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 7 maart 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en verweerders, vertegenwoordigd door G.L.H. Broen en ing. H.P.G. Vinken, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. G.A.M. van de Wouw en ing. A.M.J. Leunissen, gemachtigden, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellanten betogen dat de verwerking van baggerspecie in de inrichting niet de meest doelmatige is. Zij wijzen op de mogelijkheid baggerspecie bij andere bedrijven te verwerken.

2.2.1. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat onder de gevolgen voor het milieu mede worden verstaan gevolgen die verband houden met de doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Onder doelmatige verwijdering van afvalstoffen dient ingevolge dit artikel te worden verstaan: zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd, de afvalstoffen op effectieve en efficiënte wijze worden verwijderd, de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is afgestemd op het aanbod, een onevenwichtige spreiding van afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen en een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is.

2.2.2. Volgens verweerders leidt de vergunningverlening niet tot een onevenwichtige capaciteit of spreiding. Ook overigens bestaat naar hun mening geen aanleiding voor de conclusie dat het belang van de doelmatige verwijdering van afvalstoffen zich verzet tegen verlening van de gevraagde vergunning.

2.2.3. De (enkele) stelling van appellanten dat betere alternatieven voor de verwerking van baggerspecie bestaan leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerders zich, gelet op de hun toekomende beoordelingsvrijheid, niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen.

2.3. Volgens appellanten is niet duidelijk welke capaciteit de stortplaats heeft, nu onduidelijk is wat er gaat gebeuren met bij de baggerspecieverwerking vrijkomende materialen.

2.3.1. In de aanvraag is vermeld dat de resterende stortcapaciteit 91.000 kubieke meter bedraagt. In het bestreden besluit is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. Er is derhalve geen onduidelijkheid omtrent de stortcapaciteit.

2.4. Volgens appellanten is, zo begrijpt de Afdeling het beroep op dit punt, ten onrechte geen bodembeschermende voorziening voorgeschreven ter plaatse van de stortcompartimenten. Dit betoog mist feitelijke grondslag. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.5 is bepaald dat dergelijke voorzieningen aanwezig moeten zijn.

2.5. Appellanten sub 1 zijn beducht voor hinder bij woningen als gevolg van transportbewegingen van en naar de inrichting.

2.5.1. Hinder als gevolg van dergelijke transportbewegingen is slechts aan het in werking zijn van de inrichting toe te rekenen indien het verkeer van en naar de inrichting zich door zijn rijgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Uit de stukken blijkt dat de afstand van de inrit van de inrichting tot de dichtst bij de inrichting staande woning dermate groot is, dat het verkeer van en naar de inrichting zich ter plaatse door het rijgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich daar kan bevinden.

Nu geen aan het in werking zijn van de inrichting toe te rekenen hinder van verkeer optreedt, bestond voor verweerders op dit punt geen grond voor het weigeren van de vergunning of voor het stellen van nadere voorschriften.

2.6. Volgens appellanten hebben verweerders, zo begrijpt de Afdeling het beroep, bij de vergunningverlening onvoldoende aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing van de stort.

2.6.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.2.6 is, kort weergegeven, bepaald dat een landschapsplan moet worden ingediend en dat het aanbrengen van afval in verband met de vormgeving van de inrichting overeenkomstig dit plan moet geschieden.

Gezien dit voorschrift achten verweerders het in het belang van de bescherming van het milieu nodig om in de aan de orde zijnde vergunning de landschappelijke inpassing van de inrichting te regelen. Het door hen gestelde voorschrift voorziet echter niet in de mogelijkheid om hierop (bijvoorbeeld) via goedkeuring van het landschapsplan invloed uit te oefenen. Verweerders hebben naar het oordeel van de Afdeling in dit opzicht, in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, niet de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Dit beroepsonderdeel slaagt.

2.7. Appellanten betogen verder dat aan de vergunning ten onrechte geen voorschriften zijn verbonden omtrent lozingen op een sloot.

Dit betoog faalt, omdat voor een dergelijke lozing ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vergunning is vereist. Uit artikel 22.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat in zoverre hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is.

2.8. Appellanten zijn verder beducht voor overlast van vogels.

2.8.1. Verweerders staan op het standpunt dat het onmogelijk is om iedere overlast van vogels te voorkomen. De overlast wordt zo veel mogelijk tegengegaan door het inzetten van een valkenier. Naar hun mening wordt de overlast voldoende voorkomen, hetgeen zich – aldus verweerders – in de praktijk heeft bewezen.

De stukken noch het verhandelde ter zitting geven de Afdeling aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat verdergaande maatregelen niet nodig zijn.

2.9. Volgens appellanten schiet de in de vergunning opgenomen regeling omtrent de acceptatie van baggerspecie tekort. Zij zijn er, zo begrijpt de Afdeling het beroep, met name voor beducht dat onvoldoende inzicht bestaat in de verontreinigingsgraad van de baggerspecie.

2.9.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.5.2 is, kort weergegeven, bepaald dat de kwaliteit van de te bewerken baggerspecie moet worden vastgesteld, en dat de gegevens betreffende de analyses, bemonsteringswijzen, klasse-indeling, hoeveelheid, herkomst en opslag in bepaalde compartimenten, moeten worden bewaard. Verweerders hebben in redelijkheid kunnen concluderen dat met dit voorschrift voldoende is gewaarborgd dat inzicht bestaat omtrent de in de inrichting te bewerken baggerspecie.

2.10. Appellanten kunnen zich verder niet met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.3.11 verenigen. In dit voorschrift is bepaald dat, voorzover hier van belang, voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot de dichte eindafwerking zorg dient te worden gedragen voor een financiële zekerheid; het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden verkregen, bedraagt maximaal ƒ 5,00/€ 2,27 per ton gestort afval. Volgens appellanten dient het woord “maximaal” in dit voorschrift te vervallen.

2.10.1. Het voorschrift is gesteld ter voldoening aan artikel 12, eerste en derde lid, van het Stortbesluit bodembescherming. Uit dat artikel volgt, voorzover hier van belang, dat in de vergunning een bepaald bedrag, waarvoor zekerheid wordt gesteld, moet worden opgenomen. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan ƒ 5,00/€ 2,27 per ton gestort afval. Verweerders hebben, in strijd met dit artikel, geen keuze gemaakt omtrent de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld.

Dit beroepsonderdeel slaagt in zoverre.

2.11. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.2.10. In dit voorschrift is, voorzover hier van belang, bepaald dat het gestorte afval dagelijks van een voldoende afdeklaag moet worden voorzien. Volgens appellanten is de term “voldoende” onvoldoende duidelijk.

2.11.1. Verweerders hebben ter zitting uiteengezet dat het niet mogelijk is in het voorschrift een concrete dikte van de afdeklaag voor te schrijven. De benodigde dikte is van verschillende factoren afhankelijk. Volgens hen is met het voorschrift voldoende gewaarborgd dat een afdoende afdeklaag wordt aangebracht. De Afdeling vindt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen, nu het voorschrift bepaalt dat de laag voldoende moet zijn om zwerf- en waaivuil alsmede geurhinder te voorkomen.

2.12. Appellanten hebben zich in het beroepschrift voor het overige, wat de eindafwerking, het nazorgplan, en de aan de vergunning verbonden voorschriften 9.3 en 9.5 betreft, beperkt tot het herhalen van de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze ingebrachte bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.13. Gezien het voorgaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

2.14. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 17 juli 2001, kenmerk CE2, voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.2.6 en 3.3.11 betreft;

III. draagt gedeputeerde staten van Limburg op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder II bedoelde voorschriften en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 774,00, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van der Zijpp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

262.