Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200105576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 282

Uitspraak

200105576/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 1 oktober 2001 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 1986 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een verzoek van appellante om de huurprijs van de door [belanghebbende] bewoonde woning [locatie] te [plaats] te verhogen afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2000 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en de huurprijs van de woning met toepassing van artikel 16 van de Huurprijzenwet woonruimte (Hpw) met ingang van 1 juli 1999 vastgesteld op ƒ 516,59/ € 234,42 per maand. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 december 2001 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J.J. van der Salm, advocaat te Maastricht, de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.M. Felkers, ambtenaar ten departemente, en belanghebbende, vertegenwoordigd door [gemachtigde] zijn verschenen.

Ter zitting is aan partijen desverzocht een termijn gegund om tot een vergelijk te komen. Bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2002, heeft appellante medegedeeld dat dat niet is gelukt. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat de Staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten de ingangsdatum van de huurverhoging vast te stellen op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de Afdeling laatstelijk uitspraak heeft gedaan, te weten 1 juli 1999.

2.2. Gelet op het feit dat sinds het moment van het indienen van het verzoek van appellante om met toepassing van artikel 16 van de Hpw de huurprijs van de door belanghebbende bewoonde woning te verhogen, zeer veel tijd is verstreken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Staatssecretaris niet zonder meer toepassing hoefde geven aan het gevoerde beleid dat de vaststelling van de huurprijs ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het verzoek tot nadere vaststelling is ingediend.

Zij heeft echter ten onrechte overwogen dat de Staatssecretaris de verhoging van de huurprijs eerst met ingang van 1 juli 1999 heeft mogen doen ingaan.

2.3. De Afdeling beslist ter definitieve beslechting van dit te langlopende geschil ex aequo et bono dat de verhoging van de huurprijs van de woning [locatie] te [plaats] ingaat per 1 januari 1993 en dat met ingang van die dag de huurprijs met toepassing van artikel 16 van de Hpw wordt vastgesteld op de minimaal redelijke huurprijs, die blijkens het aangehechte advies van de Huurcommissie in het ressort Maastricht van 19 juni 2000 volgens het woningwaarderingsstelsel voor het jaar 1993 ƒ 426,56 (€ 193,57) per maand bedraagt en nadien tot en met 2002 jaarlijks, uitgaande van de minimaal redelijke huurprijs volgens het woningwaarderingsstelsel wordt verhoogd.

2.4. Het hoger beroep is mitsdien gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van de Staatssecretaris vernietigen. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 1 oktober 2001 in zaak nr. AWB 00/1330 WET E;

II. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 september 2000, kenmerk UVOR2000108229;

IV. bepaalt dat de huurprijs van de woning [locatie] te [plaats] met toepassing van artikel 16 van de Huurprijzenwet met ingang van 1 januari 1993 wordt vastgesteld op ƒ 426,56 (€ 193,57) per maand en nadien tot en met 2002 jaarlijks, uitgaande van de minimaal redelijke huurprijs volgens het woningwaarderingsstelsel, wordt verhoogd;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante te worden betaald;

VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 256,39 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Hoogenboom

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

119-384.