Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200105859/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200105859/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 november 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Leusden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Leusden (hierna: burgemeester en wethouders) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om op te treden tegen een zonder bouwvergunning geplaatste trap op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 15 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 november 2001, verzonden op 15 november 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellante in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P.Th. van Nimwegen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt voorop dat in deze zaak uitsluitend de op het perceel [locatie] geplaatste trap aan de orde is. De precedentwerking die naar appellante veronderstelt van de plaatsing van die trap uitgaat, is geen belang dat in deze procedure kan worden meegewogen.

2.2. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de in geding zijnde trap niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, waarbij in aanmerking is genomen dat het begrip ‘trap’ in dit plan niet nader is gedefinieerd.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

58-380.