Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200101475/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200101475/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap Desmepol B.V., gevestigd te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 13 maart 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 1998 hebben burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: burgemeester en wethouders) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om brandtechnische voorzieningen, waaronder een brandkraan (hierna: de brandvoorziening) aan te brengen, overeenkomstig de voorschriften van de op 24 oktober 1996 verleende bouwvergunning voor een tijdelijke opslagloods op het perceel de Bruningweg 1 te Arnhem.

Bij brieven van 6 oktober 1998, 3 november 1998 en 23 december 1998 hebben burgemeester en wethouders aan appellante mededeling gedaan van het verbeuren van een dwangsom.

Bij besluit van 9 december 1998 hebben burgemeester en wethouders afwijzend gereageerd op het verzoek van appellante om de hiervoor genoemde aanschrijving van 9 januari 1998 op te heffen.

Bij besluit van 27 januari 1999 hebben burgemeester en wethouders het (herhaalde) verzoek van appellante om de hiervoor vermelde bouwvergunning van 24 oktober 1996, zoals nadien gewijzigd bij besluit van 10 juli 1998, te wijzigen door het voorschrift tot het aanbrengen van de brandvoorziening te laten vervallen, afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders de door appellante tegen de brieven van 6 oktober 1998, 3 november 1998 en 23 december 1998 ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard alsmede de bezwaren gericht tegen de besluiten van 9 december 1998 en 27 januari 1999 ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 26 maart 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 maart 2001, verzonden op die dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.E. van der Woude, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep is uitsluitend nog aan de orde de (herhaalde) afwijzing door burgemeester en wethouders van het verzoek van appellante om de bouwvergunning van 24 oktober 1996, zoals nadien gewijzigd, te wijzigen door het voorschrift tot het aanbrengen van de brandvoorziening te laten vervallen, alsmede de weigering van burgemeester en wethouders om de bij besluit van 9 januari 1998 opgelegde dwangsom op te heffen met toepassing van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2. Appellante betoogt allereerst dat de rechtbank haar ter zitting gedane verzoek om de behandeling van de zaak te onderbreken voor ruggespraak met haar advocaat ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft dat verzoek opgevat, en kon dat blijkens het proces-verbaal ook zo doen, als het verzoek het onderzoek ter zitting te schorsen en te bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat. Daartoe heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien. De door de rechtbank gegeven omschrijving van het voorliggende geschil bood daartoe, anders dan appellante meent, ook geen aanleiding, reeds omdat die niet onjuist is gebleken.

2.3. Hetgeen appellante aanvoert tegen het verbinden van het voorschrift terzake van de brandvoorziening aan de bouwvergunning van 24 oktober 1996, zoals nadien gewijzigd bij besluit van 10 juli 1998, dient hier buiten beschouwing te blijven, omdat aan het laatstvermelde besluit formele rechtskracht toekomt. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank in dat verband overwogen dat de intrekking door appellante van haar daartegen gerichte bezwaarschrift niet als niet gedaan kan worden beschouwd. De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat burgemeester en wethouders het herhaalde verzoek om wijziging van die bouwvergunning op de voet van artikel 4:6 van de Awb onder verwijzing naar hun eerdere besluit konden afwijzen, omdat van nieuwe feiten of omstandigheden niet was gebleken. Het betoog van appellante ten aanzien van de ten overvloede gegeven overwegingen van de rechtbank omtrent het advies van de brandweer van 9 december 1998 kan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, aangezien het hier niet gaat om een overweging die aan het dictum ten grondslag ligt.

2.4. Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om de lastgeving van 9 januari 1998 op te heffen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat er geen sprake was van een tijdelijke onmogelijkheid om aan de lastgeving te voldoen, als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat voor het opheffen van de last geen grond aanwezig was. Voor de stelling van appellante dat de vertraging bij het aanbrengen van de brandvoorziening volledig was te wijten aan de NUON, bieden de stukken, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, geen steun. De omstandigheid dat appellante bezwaren had tegen de door de NUON uitgebrachte offertes, en dan met name ten aanzien van de offerte van 12 maart 1998, zoals nader toegelicht ter zitting, levert geen onmogelijkheid op tot uitvoering van de last in de zin van voornoemd artikel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

27-369.