Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
200104270/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104270/1.

Datum uitspraak: 19 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], thans diens erven,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 juli 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van Oirschot (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant bouwvergunning geweigerd voor een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 8 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 6 april 2000 herroepen en alsnog - met gewijzigde motivering - bouwvergunning geweigerd . Dit besluit en het advies van Commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 12 juli 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 2001, verzonden op 16 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2002, waar [partij], weduwe van appellant, bijgestaan door gemachtigde is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwperceel maakte deel uit van een groter perceel dat in 1998 na gedeeltelijke verkoop is gesplitst in drie kleinere percelen. Op het gehele oorspronkelijke perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Ambachtelijk en dienstverlenend bedrijf I”.

Artikel 23, lid A, onder I, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, luidt als volgt:

”De op de plankaart voor deze bestemming aangewezen grond is bestemd voor een ambachtelijk en dienstverlenend bedrijf (...), alsmede een bij het bedrijf behorende woning, met dien verstande dat:

a. de maximale terreinoppervlakte van de in dit artikel bedoelde bedrijven

8.500 m² zal bedragen;

b. de oppervlakte van de bebouwing ten hoogste 500 m² zal bedragen.

c. (...)

d. (...)

e. bij het bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning mag worden gebouwd.”.

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte hebben geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met de bestemming “Ambachtelijk en dienstverlenend bedrijf I”. Uit de redactie van artikel 23, lid A, onder I, heeft de rechtbank terecht afgeleid dat op het onderhavige bestemmingsvlak slechts één bedrijf is toegelaten. Aan het gebruik van het meervoud in de bepaling onder a heeft de rechtbank terecht geen andere betekenis toegekend. De opsplitsing in drie percelen breng hierin geen verandering. Op het oorspronkelijke perceel bestemd tot “Ambachtelijk en dienstverlenend bedrijf I” was reeds een bedrijf met bijbehorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning aanwezig met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 500 m². Het bestemmingsplan laat geen verdere bebouwing toe, ook niet ten behoeve van een ander bedrijf.

2.3. Uit rechtsoverweging 2.2 volgt dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat burgemeester en wethouders, gelet op artikel 44 van de Woningwet, terecht bouwvergunning hebben geweigerd. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2002

17-27-378-412.