Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200103654/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103654/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

appellant, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 11 juni 2001 in het geding tussen:

appellant

en

Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2000 heeft Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg (hierna: de Commissaris) geweigerd om aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Vogelwet 1936 voor het doden van knobbelzwanen te verlenen.

Bij besluit van 18 juli 2000 heeft het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 september 2001 heeft de Commissaris een memorie ingediend.

Bij brief van 27 september 2001 heeft de Stichting De Faunabescherming een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A. van der Biezenbos, advocaat te Venlo, en de Commissaris, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pouw en L.J.J. Heijkers, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Vogelwet 1936 (hierna: de Vogelwet), zoals deze destijds luidde, wordt onder beschermde vogels verstaan: alle vogels, welke behoren tot één der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duivenrassen, de tamme knobbelzwanen, en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde soorten.

Ingevolge artikel 5 van de Vogelwet is het doden, pogen te doden, vangen, pogen te vangen of opzettelijk verontrusten van beschermde vogels verboden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vogelwet, voor zover hier belang, kan, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan het doden of vangen en daarna vervoeren van beschermde vogels, het zoeken, rapen of uithalen van hun eieren dan wel het verstoren of wegnemen van hun nesten, vergunning tot het verrichten van deze handelingen worden verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet voldoende overtuigend heeft aangegeven waarom de door de Commissaris geopperde oplossingen niet bevredigend zijn, zeker gelet op de kostenaspecten die hier een rol spelen.

In het kader van artikel 10 van de Vogelwet dient er eerst naar andere bevredigende oplossingen te worden gezocht om de belangen die genoemd staan in die bepaling te behartigen, voordat er een afschotvergunning kan worden verleend. De Commissaris heeft in de beslissing op bezwaar een aantal mogelijke in de landbouw gebruikelijke verjagingsmiddelen voorgesteld. Appellant heeft deze door de Commissaris aangedragen mogelijkheden niet toegepast omdat hij van mening is dat deze niet toepasbaar zijn, onder meer vanwege het kostenaspect. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door de Commissaris voorgestelde verjagingsmiddelen niet bevredigend zijn.

Hierbij overweegt de Afdeling dat appellant ondanks aanbevelingen van de Commissaris het vogelafweerpistool, het spannen van linten en het besproeien van het gewas niet heeft ingezet. Zowel het spannen van linten als het vogelafweerpistool worden genoemd in het Handboek wildschade, een publicatie van het Jachtfonds, waarin na onderzoek en jarenlange ervaring in de landbouw de meest effectieve verjagingsmiddelen zijn weergegeven. Voorts heeft de Commissaris gewezen op de bij het beheer van sportvelden en golfbanen wel gebruikte methode om het grasveld te besproeien met een onsmakelijk middel waardoor de knobbelzwanen hun voedsel elders gaan zoeken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij gebruik van het vogelafweerpistool evenals bij de reeds door hem ingezette knalapparatuur gewenning zal optreden. Ten aanzien van de bij het hoger-beroepschrift overgelegde gespecificeerde kostenopgave heeft de Commissaris voor zover het betreft het aanbrengen van linten gemotiveerd aangegeven dat appellant van te hoge kosten uitgaat. De Commissaris heeft opgemerkt dat ook de kosten van verjaging zoals in de landbouw gebruikelijk, aanzienlijk lager zijn dan appellant in zijn hoger-beroepschrift voorrekent. Gelet op de daartegen door de Commissaris ingebrachte argumenten acht de Afdeling dan ook met het overleggen van de kostenopgave niet aangetoond dat de door de Commissaris genoemde verjagingsmiddelen niet bruikbaar zijn.

2.3. Voorts voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het aanbod van appellant tot het leveren van bewijs, meer in het bijzonder via het doen horen van getuigen, dat hij in het bezwaarschrift heeft gedaan.

Het enkel en alleen doen van een bewijsaanbod zonder het verder ondernemen van actie is niet voldoende. Uit de stukken blijkt niet dat appellant ooit getuigen of deskundigen heeft opgeroepen en daarvan mededeling heeft gedaan aan de rechtbank en wederpartijen. Ook van andere middelen rechtens is niet gebleken. De grief treft dan ook geen doel.

2.4. Gelet op vorenstaande concludeert de Afdeling met de rechtbank dat de Commissaris terecht heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor het beschermen van de teelt van gras en graszaad dan het doden van de knobbelzwanen. De vergunning is derhalve terecht geweigerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

97-405.