Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4004

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200102555/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/2172
Module Horeca 2002/771

Uitspraak

200102555/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellanten, allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Heusden,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2001 hebben verweerders krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) een aantal voorschriften die verbonden zijn aan de bij besluit van 31 oktober 1995 aan [vergunninghouder] krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning voor een horecabedrijf met cafetaria op het perceel [locatie] te [plaats] en die sinds de inwerkingtreding van het Besluit zijn blijven gelden als nadere eis, ingetrokken en een aantal nieuwe nadere eisen gesteld. Dit besluit is op 13 april 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2002, waar appellanten […] vertegenwoordigd door mr. G. Wouterse, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door J. Latour, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voor de inrichting is op 31 oktober 1995 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Tegen deze vergunning hebben appellanten beroep aangetekend. Bij uitspraak van de Afdeling van 25 juni 1999, no. E03.96.0190 is het beroep deels niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Besluit inmiddels in werking was getreden, waardoor voor de onderhavige inrichting de vergunningplicht van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer kwam te vervallen, en deels ongegrond verklaard. De voorschriften van deze vergunning die daarvoor in aanmerking kwamen, zijn blijven gelden als nadere eis in de zin van artikel 7 van het Besluit.

2.2. Niet in geschil is dat het horecabedrijf met cafetaria een inrichting is waarop het Besluit van toepassing is. Het Besluit houdt voor dit soort bedrijven met een maximum aantal van 2000 bezoekers algemene regels in ter voorkoming en beperking van nadelige gevolgen voor het milieu.

Het bevoegd gezag kan krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage van het Besluit opgenomen voorschriften, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kan het bevoegd gezag – voorzover hier van belang - nadere eisen stellen met betrekking tot de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

Krachtens artikel 5, derde lid, van het Besluit kunnen nadere eisen worden ingetrokken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

In voorschrift 3.4.2 van de bij het Besluit behorende bijlage (hierna: de bijlage) is bepaald dat degene die de inrichting drijft zodanige maatregelen en voorzieningen treft dat hinder, veroorzaakt door komende en vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen dan wel, voorzover dit niet mogelijk is, zoveel mogelijk wordt beperkt.

In voorschrift 4.1.4 van de bijlage is – voorzover hier van belang – bepaald dat het bevoegd gezag, ten einde te bereiken dat aan de geluidvoorschriften en voorschrift 3.4.2 wordt voldaan een nadere eis kan stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting, de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting, de situering van een terras of een parkeerterrein en het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen, waaronder regels ten aanzien van aan- en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers.

2.3. De bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen komen onder meer neer op het verlagen van de in het Besluit gestelde geluidgrenswaarden, het moeten aanbrengen van technische voorzieningen, het beperken van de openstelling van de inrichting en het daarbij behorende terras en het stellen van gedragsregels ten aanzien van aan- en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers. De bestaande nadere eisen met betrekking tot de ontgeuringsinstallatie en het verbod op de aanwezigheid van een terras ingetrokken.

2.4. Appellanten zijn allereerst van mening dat een inrichting als de onderhavige niet thuishoort in een rustige woonwijk. Dit betreft echter een bezwaar van planologische aard, dat buiten het kader van dit geschil valt.

2.5. Appellanten stellen - kort weergegeven - geluidhinder te ondervinden ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting alsmede van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Naar hun mening zullen de bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen niet bewerkstelligen dat deze hinder in voldoende mate wordt beperkt.

2.6. Gebleken is dat appellanten vooral overlast ondervinden van de indirecte hinder die de inrichting veroorzaakt. Zij staan op het standpunt dat verweerders ten onrechte geen nadere eisen hebben opgelegd die de verkeers- en parkeerhinder voor hun woningen beperken tot een aanvaardbaar niveau. Zij denken hierbij aan de verdere aanscherping van de sluitingstijden van de inrichting, regeling van het parkeren in de directe omgeving van de inrichting door toezichthouders en het verbieden van grote evenementen, omdat de regels in die gevallen niet worden nageleefd. Voorts zijn zij van mening dat het aantal bezoekers dat in de inrichting aanwezig mag zijn, in ieder geval dient te worden teruggebracht naar maximaal 250. Zij stellen in dit verband dat het geluidrapport van De Roever Milieuadvisering van 16 november 1999 en 17 december 1999 (hierna: het geluidrapport) waar verweerders zich op hebben gebaseerd ondeugdelijk is.

2.6.1. Verweerders hebben met betrekking tot de indirecte hinder afkomstig van de inrichting betoogd dat de nadere eisen die zij in het bestreden besluit hebben opgelegd, voldoende zijn. Volgens hen is de inrichting al geruime tijd op deze plaats in werking en is de bedrijfsvoering in de loop van de tijd alleen maar ten gunste van de naburige bewoners gewijzigd.

Verweerders staan voorts op het standpunt dat er voldoende parkeergelegenheid bestaat voor bezoekers van de inrichting. Volgens hen zijn er in de omgeving van de inrichting 143 parkeerplaatsen. Het feit dat bezoekers van de inrichting het liefst dicht bij de inrichting parkeren en daardoor overlast veroorzaken, is een andere kwestie. In het kader van de Wegenverkeerswet dient handhavend te worden opgetreden wanneer onjuist wordt geparkeerd. Zij zijn hiervoor echter niet het bevoegd gezag, aldus verweerders. Zij zijn voorts van mening dat de beperking van het aantal bezoekers zoals neergelegd in de nadere eisen C.10 en C.11 gelet op het geluidrapport voldoende is en dat geen grond bestaat voor een verdere beperking, tot 250 bezoekers. Zij wijzen er in dit verband nog op dat op 26 april 2001 voor de inrichting een melding is ingediend waarin is vermeld dat maximaal 440 bezoekers in de inrichting aanwezig zullen zijn en dat de bedrijfsvoering meer gericht zal zijn op besloten feesten met een beperkte capaciteit.

Verweerders hebben voorts ter beperking van de indirecte hinder onder meer regels gesteld ten aanzien van het laden en lossen (de nadere eisen C.2 tot en met C.5), de sluitingstijden (de nadere eisen C.12 en C.13) en de aanwezigheid van toezichthouders (C.14 tot en met C.16). Zij hebben verder ook nog een afbouwregeling voorgeschreven (C.7 tot en met C.9).

2.6.2. Met betrekking tot de verkeers- en parkeerhinder van bezoekers stelt de Afdeling voorop dat in geval van parkeren op de stoep en overtreding van parkeerverboden in het kader van de wegenverkeerswetgeving handhavend kan worden opgetreden. Indien de hinder vanwege bezoekers die na het verlaten van de inrichting overlast veroorzaken zodanig is, dat gesproken moet worden van verstoring van de openbare orde, kan dit op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening worden bestreden. Dit gaat de reikwijdte van het onderhavige geschil te buiten.

Voorts overweegt de Afdeling dat verweerders op grond van artikel 5 van het Besluit beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen of, en zo ja, welke nadere eisen aan een inrichting worden opgelegd. Hierbij dienen zowel de belangen van omwonenden als van de inrichting te worden meegewogen.

Met betrekking tot de eis van appellanten dat het aantal bezoekers van de inrichting moet worden beperkt tot 250 overweegt de Afdeling dat appellanten niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de door hen ondervonden problemen zullen verminderen indien het aantal bezoekers dat maximaal in de inrichting aanwezig mag zijn, verder wordt beperkt van 550 tot 250 bezoekers. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat het geluidrapport zodanige onjuistheden bevat dat verweerders dit niet bij hun afweging omtrent de te stellen nadere eisen konden betrekken. Met name wat betreft de stelling van appellanten dat het aantal verkeersbewegingen dat aan de inrichting kan worden toegerekend te laag zou zijn geschat, is de Afdeling van oordeel dat, mede gelet op het aantal in de omgeving van de inrichting aanwezige parkeerplaatsen, het aantal waarvan het geluidrapport uitgaat niet onaannemelijk is. De Afdeling ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de nadere eisen C.10 en C.11 in dit verband voldoende zijn.

Voorts komen de nadere eisen opgelegd in hoofdstuk B en C van het bestreden besluit nagenoeg overeen met de voorschriften 11.1 tot en met 11.4 die zijn verbonden aan de eerder, bij besluit van 31 oktober 1995, voor de inrichting verleende revisievergunning. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de nadere eisen die betrekking hebben op de indirecte hinder vanwege de inrichting niet verder behoefden te worden aangescherpt.

2.6.3. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat de voorschriften van het Besluit en de nadere eisen bij het bestreden besluit niet zullen worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit, zodat dit reeds om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die gelden krachtens het Besluit en de nadere eisen die verweerders aan de inrichting hebben opgelegd.

2.7. Appellanten hebben betoogd dat de gestelde nadere eisen met betrekking tot het bij de inrichting behorende terras niet toereikend zijn om overlast te voorkomen dan wel te beperken.

In voorschrift 1.1.2 van de bijlage is – kort gezegd - bepaald dat bij het bepalen van de geluidniveau’s afkomstig van de inrichting het stemgeluid van bezoekers op een onverwarmd terras buiten beschouwing blijft.

In hoofdstuk D van het bestreden besluit hebben verweerders nadere eisen opgenomen om hinder veroorzaakt door op het terras aanwezige bezoekers te voorkomen dan wel te beperken, waaronder het verbod om op het terras muziek ten gehore te brengen en het verbod het terras te gebruiken na 23.00 uur.

De Afdeling overweegt dat het Besluit geen grondslag biedt om, zoals appellanten wensen, de aanwezigheid van een terras bij nadere eis te verbieden. Voorts acht zij onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de in hoofdstuk D opgenomen nadere eisen toereikend zijn en dat in verband met dit terras geen verdergaande nadere eisen behoeven te worden gesteld.

2.8. Appellanten hebben voorts bezwaar tegen de intrekking van het als nadere eis geldende, aan de bij besluit van 31 oktober 1995 verleende revisievergunning verbonden, voorschrift 1.2. In dit voorschrift is de verplichting opgenomen om een ontgeuringsinstallatie te plaatsen.

Verweerders achten voorschrift 1.4.3 van de bij het Besluit behorende bijlage toereikend om geurhinder vanwege de inrichting in voldoende mate te beperken. Zij staan op het standpunt dat, nu slechts één woning binnen een straal van 25 meter is gelegen en de afvoerpijp 2 meter hoger is dan deze woning, het stellen van een nadere eis zoals opgenomen in voorschrift 1.2 niet nodig is. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen intrekking van het als nadere eis geldende voorschrift 1.2.

2.9. Appellanten hebben voorts gesteld bezwaar te hebben tegen de nadere eisen A1 en A2, waarin het toegestane equivalente geluidniveau en het piekgeluidniveau zijn vastgesteld. Ter zitting is gebleken dat zij van mening zijn dat deze geluidvoorschriften niet naleefbaar zijn.

Verweerders staan op het standpunt dat door de geluidbegrenzers die zijn voorgeschreven in de nadere eisen B.1 tot en met B.5 en zijn aangebracht in het café en de feestzaal, de voorgeschreven maximum geluidniveaus bij de woningen van appellanten wel worden gehaald. Wanneer de inrichting verder wordt geïsoleerd, kan volgens hen ook aan de grenswaarden worden voldaan ter plaatse van de woningen aan de [locatie 1 en locatie 2] Zij staan op het standpunt dat dit een handhavingskwestie betreft.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd en ook overigens geen aanleiding om te oordelen dat het standpunt van verweerders onjuist is.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

241-324.