Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE4001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200003949/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200003949/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de Coöperatieve Vereniging van Eigenaren van Winkelcentrum Oosterhof, gevestigd te Boxtel,

2. appellant sub 2, wonend te [woonplaats],

3. appellant sub 3, wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 1999 heeft de gemeenteraad van Boxtel, op voorstel van burgemeester en wethouders van 25 oktober 1999, vastgesteld het bestemmingsplan "Herziening Oost".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 20 juni 2000, nr. 658121, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2000 (telefaxbericht), appellant sub 2 bij brief van 14 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2000, en appellant sub 3 bij brief van 16 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2000, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 9 november 2000. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 november 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. K.W.H. Albert en [gemachtigde] en verweerders, vertegenwoordigd door mr. P. van Driel-Faasen, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Boxtel, vertegenwoordigd door J.A.A. van der Aa.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op de wijk Oost, gelegen tussen het centrum van Boxtel en de Rijksweg A2. Met het plan wordt beoogd de bestaande situatie vast te leggen en een aantal ontwikkelingen mogelijk te maken.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellante sub 1 kan zich niet verenigen met het besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het deel van het plan dat voorziet in een bestemmingsregeling voor het winkelcentrum Oosterhof. Zij is van mening dat in het plan te weinig rekening wordt gehouden met haar bestaande rechten van appellante, zoals neergelegd in het voorheen geldende bestemmingsplan. Verder biedt het plan onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden. Appellante acht een vergroting van de verkoopvloeroppervlakte noodzakelijk. Zij is van mening dat het mogelijk moet worden non-food bedrijven in het winkelcentrum te vestigen. Door de beperkte uitbreidingsmogelijkheden worden bepaalde branches beschermd, hetgeen in een bestemmingsplan niet is toegestaan. Appellante kan zich niet vinden in het beleid gericht op een concentratie van winkelvoorzieningen in het centrum met daarnaast enkele buurtwinkelcentra.

2.4.1. Aan de gronden van het winkelcentrum Oosterhof is de bestemming “Detailhandel en Dienstverlening, al dan niet met bijbehorende erven -DD-” toegekend. Ingevolge artikel 11, lid A I, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor detailhandel en dienstverlening.

Ingevolge artikel 1, onder 5d, van de planvoorschriften is detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

De feitelijke totale oppervlakte van het winkelcentrum, inclusief passage, bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 3.667 m². Het bruto winkelvloeroppervlak is ongeveer 3.182 m².

Het onderhavige plan maakt het mogelijk het winkelcentrum, inclusief passage, uit te breiden tot een totale oppervlakte van ongeveer 4.727 m². Het bruto winkelvloeroppervlak kan maximaal 4.167 m² bedragen.

2.4.2. Tot deze bestemmingsregeling voor het winkelcentrum heeft de gemeenteraad, blijkens de stukken, besloten aan de hand van zijn beleid dat is gericht op de concentratie van winkelvoorzieningen in het centrum met daarnaast het instandhouden van enkele buurtwinkelcentra. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij het plan toegelaten uitbreidingsmogelijkheden voldoende zijn om gedurende de planperiode als volwaardig winkelcentrum te kunnen functioneren. Ruimere uitbreidingsmogelijkheden zouden leiden tot aantasting van het hoofdwinkelapparaat in het centrum en derhalve op gespannen voet staan met het beleid.

Verweerders hebben ingestemd met dit beleid en dit standpunt van de gemeenteraad en geen reden gezien om het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten.

2.4.3. Ten aanzien van het betoog van appellante dat in het plan te weinig rekening wordt gehouden met de bestaande rechten van appellante overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Aan de raad komt de bevoegdheid toe op grond van gewijzigde planologische inzichten andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vast te stellen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval aanleiding bestond een uitzondering te maken op dit uitgangspunt.

De Afdeling is van oordeel van verweerders bovengenoemd beleid redelijk hebben kunnen achten.

De Afdeling is voorts van oordeel dat verweerders de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden in het licht van dit beleid voldoende hebben kunnen achten en het gemeentebestuur hebben kunnen volgen in zijn standpunt dat ruimere uitbreidingsmogelijkheden gezien dit beleid niet wenselijk zijn. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat ten gevolge van het plan de totale oppervlakte van het winkelcentrum en het winkelvloeroppervlak respectievelijk met ongeveer 29% en 31% uitgebreid kan worden. Verder heeft de Afdeling hierbij in aanmerking genomen dat de bestemming “Detailhandel en Dienstverlening, al dan niet met bijbehorende erven” de vestiging van appellante bedoelde genoemde non-food bedrijven ter plekke niet uitsluit. Artikel 11, lid A1, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met artikel 1, onder 5d, van de planvoorschriften stelt de toelaatbaarheid van detailhandelsvestigingen niet afhankelijk van een bepaalde branche. Gelet hierop ziet de Afdeling ook niet in dat, zoals appellante stelt, bepaalde branches worden beschermd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan met deze mogelijkheden ernstige bezwaren voor haar met zich brengt. Niet aangetoond is dat het plan aan een rendabel functioneren van het winkelcentrum in de weg staat.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het in het geding zijnde plandeel.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Appellant sub 2 kan zich niet met het besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan het deel “met natuurontwikkeling” van de bestemming “Groenvoorziening, met natuurontwikkeling” voorzover gegeven aan een terrein naast het perceel [locatie]. Hiertoe voert hij aan dat er ter plekke bijzondere waarden aanwezig zijn. Bovendien is eenzelfde bestemming toegekend aan een vergelijkbaar perceel.

2.5.1. De gemeenteraad heeft de bestemming “Groenvoorziening, met natuurontwikkeling” toegekend aan de gronden gelegen naast het perceel [locatie].

2.5.2. Met betrekking tot genoemde onthouding van goedkeuring hebben verweerders overwogen dat aan groene schakels overwegend de bestemmingen “Groenvoorzieningen -G-”, “Afschermende groenvoorzieningen -G(s)-” en bestemmingen ten behoeve van wegen en paden zijn toegekend. Uit de plantoelichting blijkt niet waarom in afwijking van het vorenstaande dit perceel eenzelfde bestemming heeft gekregen als de noordoever van de Dommel die als ecologische verbindingszone is aangeduid. Verweerders zijn van mening dat het niet logisch is aan dit perceel, dat diep in de woonwijk penetreert, een bestemming toe te kennen die ziet op natuurontwikkeling. Voorts is verweerders gebleken dat er geen bijzondere waarden aanwezig zijn die de bestemming natuurontwikkeling rechtvaardigen. De bestemming “Groenvoorzieningen met natuurontwikkeling” is dan ook niet reëel, mede gelet op het feit dat de gemeente niet bereid is actief vorm te geven aan natuurontwikkeling ter plaatse en slechts een beperkt onderhoud van het perceel voorstaat.

2.5.3. Blijkens het deskundigenbericht betreft het in geding zijnde plandeel een grasveld van ongeveer 1.500 m² met enkele bomen. Het grasveld grenst aan de rivier De Dommel. Tussen het veld en de rivier bevindt zich een fiets- en voetpad.

In de plantoelichting is het grasveld aangemerkt als een groene schakel. Groene schakels worden grotendeels gevormd door paden, straten en wegen, die met groen worden begeleid. Uit de plantoelichting volgt voorts dat de groene schakels hoofdzakelijk zijn bestemd als “Groenvoorzieningen”, “Afschermende groenvoorzieningen”, “Wegverkeer”, “Verblijfsdoeleinden” en “Verblijfsdoeleinden of tuin/onbebouwd erf”.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting neemt de Afdeling aan dat op het betrokken terrein geen bijzondere natuurwaarden aanwezig zijn. Voorts is niet aannemelijk geworden dat binnen de planperiode dergelijke waarden tot ontwikkeling zullen komen. De Afdeling is gelet hierop en op het bovengenoemde in de plantoelichting verwoorde beleid, van oordeel dat verweerders het standpunt hebben kunnen innemen dat het niet in de rede ligt om het terrein tevens voor natuurontwikkeling te bestemmen. Verder is, anders dan appellant heeft gesteld, niet gebleken dat verweerders de bestemming “Groenvoorziening, met natuurontwikkeling” hebben goedgekeurd voor gronden waarvan de situatie vergelijkbaar is met die van het onderhavige terrein.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan op dit punt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben onthouden aan het plan in zoverre.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Appellant sub 3 kan zich niet met het besluit verenigen voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de in artikel 22, eerste lid, sub k, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat een autobox dient aan te sluiten bij het bouwperceel van de bijbehorende woning. Appellant is van mening dat deze voorwaarde moet vervallen omdat zij te beperkend is. Ook anderen dan alleen aanwonenden aan plandelen met de in dit planvoorschrift genoemde bestemmingen moeten een autobox kunnen bouwen.

2.6.1. Ingevolge artikel 22, eerste lid, sub k, eerste gedachtenstreep, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op het wijzigen van de bestemmingen “Verblijfsdoeleinden -Vb-” en “Verblijfsdoeleinden of tuin/onbebouwd erf -Vb(t)-” in de bestemming “Autoboxen -W(ab)-”, waarbij geldt dat een autobox dient aan te sluiten bij het bouwperceel van de bijbehorende woning.

2.6.2. De Afdeling is van oordeel dat verweerders in redelijkheid in hebben kunnen stemmen met het door de gemeenteraad in het vaststellingsbesluit ingenomen standpunt dat uit overwegingen van sociale veiligheid en beeldkwaliteit de bouw van geheel vrijstaande garageboxen in het openbaar gebied niet voorgestaan moeten worden. De Afdeling stelt vast dat niet-aanwonenden niet de mogelijkheid hebben een autobox op te richten. Daartegenover staat het belang betrokken bij de voorwaarde, zijnde het bevorderen van de sociale veiligheid en beeldkwaliteit. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders het bezwaar van appellante ondergeschikt kunnen achten aan evengenoemd belang.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het in geding zijnde planvoorschrift.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Appellant sub 3 kan zich niet verenigen met het besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming “Praktijkruimte, Kantoren en Woondoeleinden, al dan niet met bijbehorende erven” toegekend aan gronden gelegen op de hoek Europalaan-Schijndelseweg. Appellant wenst een woonbestemming. Daarmee is de sociale veiligheid gediend. Een dergelijke bestemming is bovendien gelet op het tekort aan woningbouwkavels noodzakelijk.

2.7.1. Aan de in geding zijnde gronden is de bestemming “Praktijkruimte, Kantoren en Woondoeleinden, al dan niet met bijbehorende erven” toegekend. Ten zuiden en zuidwesten van het in geding zijnde plandeel bevinden zich woningen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de sociale veiligheid in voldoende mate gewaarborgd is. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat een zodanige behoefte aan woningbouwkavels bestaat dat aan het perceel louter een woonbestemming had moeten worden toegekend.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan in zoverre.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

59-316.