Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200102096/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2002/1124

Uitspraak

200102096/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2000 heeft de gemeenteraad van Maasbracht, op voorstel van burgemeester en wethouders van 25 juli 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Kern Maasbracht - Hoofdstraat 34".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 6 maart 2001, kenmerk 2001/9639M, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 juli 2001 hebben verweerders meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het indienen van een verweerschrift.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 februari 2002 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2002, waar appellant in persoon, vertegenwoordigd door [gemachtigde],

en verweerders, vertegenwoordigd door mr. W.H. Janssen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Verder zijn gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door F. Ramacher, ambtenaar van de gemeente, en het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de uitbreiding van het gebouw en de activiteiten van het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart (hierna: het KSCC) aan de [locatie].

Verweerders hebben het plan bij het bestreden besluit goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellant, die aan de [locatie] woont, stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend. Hij is van mening dat de toegestane activiteiten binnen de bestemming “Bijzondere doeleinden”, waaronder voor een deel van het plangebied horecadoeleinden, niet thuis horen in de [locatie] omdat het een straat is met voornamelijk particuliere woningen. Hij betoogt dat de horeca-activiteiten leiden tot geluid- en verkeershinder. Appellant is van mening dat het plan in meer bebouwingsmogelijkheden voorziet aan de oost- en zuidzijde van het hoofdgebouw van het KSCC dan onder het vorige plan mogelijk was. Hij vindt dat de in het plan voorziene bebouwing zijn uitzicht belemmert, leidt tot verminderde lichttoetreding in zijn tuin en zijn privacy aantast.

2.4. De gemeenteraad heeft de bestemming “Achtertuin” op het perceel van het KSCC gewijzigd in de bestemming “Bijzondere doeleinden”. Hij stelt dat binnen de bestemming “Bijzondere doeleinden” onder andere activiteiten op kerkelijk, (inter-)gemeentelijk, cultureel of sociaal gebied mogelijk zijn. Hij is van mening dat de bestemming in overeenstemming is met het bestaande gebruik van het perceel. Daarnaast zijn voor een gedeelte van het plangebied horecadoeleinden toegelaten hetgeen de gemeenteraad ter plaatse niet bezwaarlijk vindt.

2.5. Verweerders hebben het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Zij vinden dat de activiteiten die het plan toelaat niet onaanvaardbaar zijn in de [locatie] aangezien in die straat onder andere kantoren, winkels, praktijkruimten en een kerk aanwezig zijn. Eventuele overlast vanwege de horeca-activiteiten zal door middel van milieuwetgeving en bestuursdwang voorkomen kunnen worden, aldus verweerders. Zij stellen dat onder het vorige plan bebouwing mogelijk was aan de oost- en zuidzijde van het hoofdgebouw van het KSCC tot een hoogte van drie meter en met toepassing van de vrijstellingsbepaling tot een hoogte van 3,3 meter. Verweerders vinden de maximale goothoogte van 3,5 meter van de in het plan voorziene bebouwing niet zoveel afwijken van de vorige situatie dat dit van betekenis is voor het uitzicht van appellant op de achterliggende groenvoorziening.

2.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de [locatie] de scheiding vormt tussen het bedrijventerrein rond de haven en het centrum. [Locatie] is een belangrijke doorgangsweg, zowel naar het havengebied als naar en om het centrum. Aan de [locatie] zijn onder andere woningen gelegen, maar daarnaast zijn bedrijven aanwezig, zoals winkels, een kapper, een artsenpraktijk en een fysiotherapiepraktijk. Het KSCC is een welzijnsinstelling voor schippers die sociaal-culturele evenementen organiseert, maatschappelijk werk aanbiedt, een afdeling van de landelijke schippersbibliotheek beheert en onderwijs aanbiedt voor schipperskinderen. Een en ander leidt tot het oordeel dat voor de stelling dat deze activiteiten niet thuis horen in de [locatie] geen grond bestaat.

2.6.1. Niet betwist is dat de activiteiten van het KSCC ter plaatse onder het Besluit horeca-, sport-, en recreatie-inrichtingen milieubeheer vallen. Voor zover appellant als gevolg van het plan geluidhinder vreest, merkt de Afdeling op dat dit ziet op de handhaving van het Besluit en derhalve in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.6.2. De Afdeling is voorts van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat mogelijke verkeershinder ten gevolge van het parkeren door bezoekers van het KSCC door het treffen van verkeersmaatregelen niet kan worden voorkomen.

2.6.3. Ten aanzien van het betoog van appellant dat het plan voorziet in meer bebouwingsmogelijkheden aan de oost- en zuidzijde van het hoofdgebouw van het KSCC dan het bestemmingsplan “Kern Maasbracht”, overweegt de Afdeling dat aan het desbetreffende perceelsgedeelte de bestemming “Bijzondere doeleinden” is toegekend. Dit gedeelte had daarvoor de bestemming “Achtertuin”. Ingevolge artikel 39 van de voorschriften van het plan “Kern Maasbracht” mag, met uitzondering van het bepaalde in artikel 40 van de voorschriften, geen bebouwing worden opgericht binnen deze bestemming. In artikel 40 is, voor zover van belang, bepaald dat op de gronden binnen deze bestemming uitsluitend zowel aan het woonhuis aangebouwde als vrijstaande bijgebouwen mogen worden opgericht. Het plan “Kern Maasbracht” maakt het derhalve alleen mogelijk bijgebouwen ten behoeve van woonhuizen te bouwen. Vast staat dat het gebouw van het KSCC geen woonhuis is. Anders dan verweerders menen volgt hieruit dat het bestemmingsplan “Kern Maasbracht” niet in de mogelijkheid voorziet bijgebouwen ten behoeve van het KSCC te bouwen op het perceelsgedeelte met de bestemming “Achtertuin”.

2.6.4. Gelet op de plankaart is de maximale goothoogte van de in het plan voorziene bebouwing op dit perceelsgedeelte 3,5 meter. Ingevolge artikel 26, tweede lid, onder e, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kern Maasbracht”, welke voorschriften in het onderhavige plan van toepassing zijn verklaard, dient echter - behoudens vrijstelling - een dak daar op te worden geplaatst met een dakhelling van minimaal 30 graden en maximaal 45 graden. Dit betekent dat het plan een maximale bouwhoogte mogelijk maakt die wezenlijk hoger is dan 3,5 meter. Verweerders hebben voor zover het het perceelsgedeelte betreft dat aan de westzijde van de tuin van appellant grenst geen overwegende betekenis behoeven toe te kennen aan de invloed die het plan heeft op het uitzicht vanuit en de lichttoetreding in zijn woning en tuin. Mede gelet op het deskundigenbericht en de daarbij overgelegde foto’s is echter aannemelijk dat een wezenlijk hogere maximale bouwhoogte dan 3,5 meter aan de zuidgrens van de tuin van appellant aanmerkelijk nadelige gevolgen heeft voor het rechtstreekse uitzicht vanuit zijn woning.

2.7. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel, nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerders, door het hiervoor genoemde plandeel goed te keuren, hebben gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het hiervoor genoemde plandeel.

2.7.1. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel dat nader is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

2.8. Wat betreft de overige plandelen is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Verweerders hebben het plan daarom voor het overige terecht goedgekeurd.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 6 maart 2001, 2001/9639M, voorzover goedkeuring is verleend aan het plandeel dat nader is aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II genoemde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt gedeputeerde staten van Limburg in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 110,79; het bedrag dient door de Provincie Limburg te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de Provincie Limburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

12-409.