Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200103783/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103783/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2000 heeft de gemeenteraad van Deventer, op voorstel van burgemeester en wethouders van 31 oktober 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 1994, achtste partiële herziening".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 29 mei 2001, RWB/2001/154, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 februari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen. Voorts is gehoord de raad van de gemeente Deventer, vertegenwoordigd door ing. F.K. van Popta en mr. A.J. Nijman, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied 1994” van de voormalige gemeente Diepenveen ten behoeve van een op het perceel [locatie] gevestigd loon- en grondverzetbedrijf. Daarbij wordt beoogd dit bedrijf overeenkomstig het bestaande gebruik te bestemmen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.3. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij stellen dat de plankaart onduidelijk is wat betreft de begrenzing van het bestemmingsvlak en het bouwvlak, doordat duidelijke referentiepunten tot de kadastrale situatie en de huidige bedrijfsbebouwing ontbreken.

Tevens vinden appellanten de plankaart onduidelijk, omdat daaruit de omvang van de uitbreidingsmogelijkheden niet kan worden afgeleid.

2.3.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en sub e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dienen – voorzover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwerkelijking in aanmerking komt – op de plankaart onder meer de kadastrale grenzen, secties en nummers van de percelen te zijn aangegeven. De Afdeling constateert dat in het plangebied geen gronden zijn aangewezen die in aanmerking komen voor verwerkelijking in de naaste toekomst, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening. Derhalve is niet vereist dat op de plankaart de kadastrale grenzen worden vermeld.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en sub h, van het Besluit op de ruimtelijke ordening worden op de plankaart de bestaande gebouwen en onder meer de namen van de belangrijkste wegen aangegeven.

Ondanks de omstandigheid dat de op de plankaart aangegeven bebouwing niet geheel overeenstemt met de bestaande bebouwing, is de Afdeling van oordeel dat de kaart niet zodanige onjuistheden bevat dat het plan niet in stand kan blijven.

De Afdeling constateert dat op de plankaart het bouwvlak duidelijk is aangegeven. In samenhang met het maximaal toegestane bebouwingspercentage, zoals op de plankaart is aangegeven, kan de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte worden bepaald. De omstandigheid dat uit de plankaart niet direct de uitbreidingsmogelijkheden kunnen worden afgeleid, acht de Afdeling niet in strijd met de rechtszekerheid.

Ook overigens ziet de Afdeling in dit bezwaar onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de plankaart in strijd is met de rechtszekerheid.

2.4. Verder hebben appellanten bezwaar tegen de omvang van het bestemmingsvlak en de bebouwingsmogelijkheden, omdat daardoor hun woon- en leefgenot en de landschappelijk waarden zullen worden aangetast. Tevens hebben appellanten bezwaar tegen het toekennen van een bedrijfsbestemming aan de woning.

2.4.1. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd.

2.4.2. Aan het perceel [locatie] is de bestemming “Agrarisch technische hulpbedrijven met bijbehorende erven” toegekend. Ingevolge artikel 14, lid A, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor agrarische-technische hulpbedrijven met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken en open erven.

Ingevolge artikel 1, sub 3d, van de planvoorschriften wordt onder een agrarische-technisch hulpbedrijf verstaan een niet-industrieel opgezet bedrijf dat uitsluitend, dan wel overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur.

Ingevolge artikel 14, lid B I, onder a en b, van de planvoorschriften mag uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd. Het bebouwde grondoppervlak van een bebouwingsvlak mag niet meer bedragen dan het op de kaart aangeven bebouwingspercentage. Op de kaart is een percentage van 45 aangegeven.

Ingevolge artikel 14, lid B I, onder c, van de planvoorschriften mag bij ieder bedrijf niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd, voorzover niet reeds een woning aanwezig is.

2.4.3. Het provinciaal beleid is erop gericht dergelijke bedrijvigheid uit het buitengebied te weren. Bestaande niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijven waarvoor de overheid geen actief saneringsbeleid nastreeft dienen echter in een positieve bestemming te worden vervat, waarbij in het algemeen redelijke uitbreidingsmogelijkheden dienen te worden geboden. In zijn algemeenheid wordt voor een redelijke uitbreiding een percentage van 10-15% gehanteerd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de oppervlakte van het bebouwingsvlak ongeveer 4400 m2 is. Ingevolge artikel 14, lid B I, onder b, en de aanduiding op de plankaart is het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak 1980 m2. De bestaande bebouwing heeft een oppervlakte van 1810 m2. Gelet hierop hebben verweerders zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijf een uitbreidingsmogelijkheid resteert van 170 m2. Derhalve blijven de uitbreidingsmogelijkheden beperkt tot onder de 10% en hebben verweerders deze als redelijk kunnen aanmerken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere feiten of omstandigheden zijn die een uitzondering op het desbetreffende beleid rechtvaardigen. Het betoog van appellanten dat indien het bedrijf bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied 1994” reeds als zodanig was bestemd, het minder bouwmogelijkheden zou hebben gehad vermag hieraan niet af te doen. Ook het betoog dat van noodzaak tot uitbreiding niet is gebleken leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op de bedrijfsactiviteiten die het plan mogelijk maakt in relatie tot de afstand tot de woning van appellanten van ongeveer 40 meter tot het bestemmingsvlak, is de Afdeling van oordeel dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefgenot van appellanten. In dit verband merkt de Afdeling op dat verweerders in redelijkheid gewicht hebben kunnen toekennen aan de noodzaak van enige buitenruimte voor een loonwerkbedrijf en de situering van deze buitenruimte ten opzichte van de inrit en de aanwezige bedrijfsbebouwing.

Verder is niet gebleken, mede gelet op het deskundigenbericht, dat de in het plan toegestane activiteiten en bebouwingsmogelijkheden tot een zodanige aantasting van de aanwezige landschappelijke waarden in het omliggende gebied zullen leiden dat verweerders aan deze waarden geen overwegende betekenis behoefden toe te kennen.

Tevens hebben verweerders, gelet op de regeling ten aanzien van een bedrijfswoning, als neergelegd in artikel 14, lid B I, onder c, van planvoorschriften, het toekennen van de bedrijfsbestemming aan de woning op het perceel passend kunnen achten.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet strijdt met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. Vis, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Vis w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

270.