Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200103453/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200103453/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de bestuurscommissie Economische Zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 6 juni 2001 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Happy Roller BV", gevestigd te Franeker

en

appellante.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 1999 heeft appellante aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “[…]” ten behoeve van haar werkmaatschappij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Happy Roller BV" (hierna: Happy Roller BV) een investeringspremie verleend op grond van de Investeringspremieregeling Noord Nederland 1996 (hierna: IPR 1996).

Bij besluit van 19 juni 2000 heeft appellante het daartegen door […] BV en Happy Roller BV gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door Happy Roller BV ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellante een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 oktober 2001 heeft Happy Roller BV een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P. van den Burg, ambtenaar van de provincie, en Happy Roller BV, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel II van de investeringspremieregeling Noord Nederland 1998 blijft de IPR 1996 van toepassing, indien de aanvraag tot premieverlening voor 1 juli 1998 in behandeling is genomen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid van de IPR 1996, voorzover hier van belang, wordt voor de aanvraag een formulier vastgesteld, dat vermeld welke bijlagen daarbij dienen te worden overgelegd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat de aanvraag het volledig ingevulde formulier en de in het eerste lid bedoelde bijlagen.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, onder a, van de IPR 1996, voorzover hier van belang, omvat de premiegrondslag in geval van een uitbreidingsproject een nader vast te stellen percentage van de premiabele kosten van de verwerving van bedrijfsgebouwen.

Het percentage van de premiabele kosten is voor het jaar 1997 vastgesteld op 100 en met ingang van 1 januari 1998 op 75.

2.2 Bij brief van 30 december 1997 is namens […] BV een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de IPR 1996. Appellante heeft deze aanvraag niet aangemerkt als een rechtsgeldige aanvraag in de zin van de IPR 1996 en […] BV in de gelegenheid gesteld alsnog een rechtsgeldige aanvraag in te dienen. Bij brief van 22 april 1998 is namens […] BV ten behoeve van haar werkmaatschappij Happy Roller BV onder verwijzing naar de eerdere briefwisseling een aanvraagformulier alsmede aanvullende informatie aan appellante toegezonden. Voorts is bij brief van 7 oktober 1998 nadere informatie aan appellante verstrekt.

2.3. In geschil is de vraag welk percentage van de premiabele kosten moet worden gehanteerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat bepalend is het recht dat geldt op de dag van de aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en dat als peildatum derhalve 30 december 1997 moet worden gehanteerd. Appellante heeft gesteld dat voor het bepalen van het toepasselijke percentage moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop de aanvraag in behandeling kan worden genomen. De aanvraag van 30 december 1997 was volgens appellante een pro-forma aanvraag die niet voldeed aan de vereisten van artikel 3 van de IPR 1996 en daarom niet in behandeling kan worden genomen. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat een aanvraag in behandeling kan worden genomen wanneer deze weliswaar nog niet aan alle eisen van artikel 3 van de IPR 1996 voldoet, maar wel voldoende informatie over het te subsidiëren project bevat om de aanvraag te toetsen aan de regeling.

2.3.1. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld brengt een redelijke uitleg van de IPR 1996 met zich dat voor een aanvraag die niet voor 1 januari 1998 in behandeling kan worden genomen het percentage van 75 geldt. Nu bij de aanvraag van 30 december 1997 geen gebruik was gemaakt van het voorgeschreven formulier en (nog) geen enkele informatie was verstrekt over de aard van het project dat werd voorzien, heeft appellante deze brief terecht niet aangemerkt als een aanvraag die in behandeling kan worden genomen. De aanvullende informatie van 22 april 1998, opgenomen in het formulier als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van de IPR 1996, bevatte wel voldoende informatie om de aanvraag in behandeling te nemen. Appellante heeft dan ook terecht de datum van indiening van deze brief genomen als peildatum en voor de premiegrondslag het percentage van 75 van de premiabele kosten van de verwerving van bedrijfsgebouwen gehanteerd.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 6 juni 2001, AWB 00/775 BELEI V01;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Schothorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

229-362.