Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
12-06-2002
Zaaknummer
200104009/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104009/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 21 juni 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Best.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van Best (hierna: burgemeester en wethouders) de bouwaanvraag voor de verbouw van een vrijstaand bijgebouw bij de panden aan de [locatie] te [plaats] afgewezen en geweigerd toepassing te geven aan artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Bij besluit van 22 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 juni 2001, verzonden op 4 juli 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M.L.M. van Heijnsbergen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan behelst de verbouw van een bestaand bijgebouw tot hobbyruimte en bergruimte.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” heeft het betrokken perceel de bestemming “Agrarisch bouwblok A (met woning)”. Ingevolge artikel 11, lid A, sub 1,van de planvoorschriften mogen op de gronden met deze bestemming uitsluitend bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf worden gebouwd. Ingevolge artikel 11, lid B, sub 1, is het verboden deze gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

Op 13 september 1999 heeft de gemeenteraad van Best een voorbereidingsbesluit genomen voor het buitengebied van de gemeente Best, waarin het onderhavige perceel is gelegen. Ingevolge het toekomstige bestemmingsplan zal voor het perceel de bestemming “Woondoeleinden” gelden.

2.3. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet, is geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

De term “verandering van niet-ingrijpende aard” dient niet alleen in bouwkundige maar ook in stedenbouwkundige zin te worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de voorgenomen werkzaamheden meer inhouden dan het plegen van normaal (achterstallig) onderhoud en de voorgenomen wijzigingen van het bijgebouw een feitelijk kenbare functiewijziging impliceren. De verbouwwerkzaamheden zijn daarom niet aan te merken als veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in voormeld artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e. Voor de beoogde werkzaamheden is derhalve, anders dan appellant betoogt, bouwvergunning vereist als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet.

2.4. Niet in geschil is dat het thans geldende noch het toekomstige bestemmingsplan de bewoning van het bijgebouw, waar het bouwplan betrekking op heeft, toelaat.

Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dat houdt in dat een bouwplan (ook) in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet.

Het bijgebouw is thans in gebruik als berging. Naar het oordeel van de Afdeling is het beoogde gebruik van het bijgebouw als hobbyruimte, met daarin een douche, een kookvoorziening en een tweetal toiletten, op één lijn te stellen met gebruik als woonruimte en is het niet te vergelijken met het gebruik als enkel berging. Niet kan daarom worden staande gehouden dat geen sprake is van een functiewijziging van het bijgebouw. Voorts is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de huurders van de [locatie] het gebouw voor gebruik overeenkomstig de bestemming zullen huren. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat de bouwvergunning terecht wegens strijd met het geldende en het toekomstige bestemmingsplan is geweigerd.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2002

378.