Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200104313/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104313/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats] en

[appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 6 juni 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

de Permanente Commissie Leerlingenzorg van het Samenwerkingsverband Maarssen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 1999 heeft de Permanente Commissie Leerlingenzorg van het Samenwerkingsverband Maarssen (hierna: de PCL) de zoon van appellanten niet toelaatbaar geacht tot de speciale school voor basisonderwijs en geadviseerd betrokkene op een Z.M.O.K.-school te plaatsen.

Appellanten hebben bij brief van 16 april 2000 bezwaar aangetekend tegen deze beschikking.

Bij besluit van 6 juni 2000 heeft de PCL het dit bezwaar aangemerkt als een verzoek tot heroverweging en dit verzoek afgewezen

Bij besluit van 2 oktober 2000 heeft de PCL het daartegen door appellanten ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2001, verzonden op 13 juli 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de president) het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voorzover gericht tegen het advies van de PCL betrokkene op een Z.M.O.K.-school te plaatsen en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 november 2001 heeft de PCL van antwoord gediend.

Appellanten hebben nog stukken ingezonden en een nadere reactie gegeven bij brief van 29 januari 2002. De brief met bijlagen is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2002, waar appellanten in persoon en de PCL, vertegenwoordigd door mr. M.C. van Rijn, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten en omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

2.2. Appellanten betogen dat de aangevallen uitspraak is gebaseerd op onvolledige informatie, omdat de aanvullende gronden van het beroep niet aan de rechtbank zijn verzonden, dat de president ten onrechte onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, nu na de zitting verklaringen zijn afgelegd die nader onderzoek vereisten en dat appellanten de president hebben verzocht om een deskundige te horen en deze dit verzoek ten onrechte niet heeft gehonoreerd.

2.3. Bij brief van 2 mei 2001 zijn de nadere gronden van het beroep van 6 november 2000 ingediend bij de rechtbank. Appellanten hebben deze vervolgens ingetrokken bij brief van 7 mei 2001. Dat zij daarbij hebben gevraagd aan te geven, wanneer aanvullende gronden in het bezit van de rechtbank dienden te zijn, noopte de president er onder die omstandigheden niet toe geen uitspraak te doen, zoals deze heeft gedaan.

De president komt bij het toepassen van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen aanzienlijke beoordelingsvrijheid toe. In dit geval bestaat geen grond voor het oordeel dat de president van die bevoegdheid geen gebruik heeft mogen maken. Hierbij is van belang dat, zoals de president ook terecht en op goede gronden heeft overwogen, het beroep van appellanten ingevolge voormeld artikel 4:6, eerste lid, van de Awb slechts kan leiden tot een beoordeling van de vraag of na het besluit zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die de PCL aanleiding hadden moeten geven om op zijn besluit van 13 december 1999 terug te komen.

Het was aan de president om te beoordelen of de verklaring van de deskundige kon bijdragen aan het oordeel over de zaak. De president heeft zulks niet hoeven aannemen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden in de zin van voormelde bepaling van de Awb.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies voor een Z.M.O.K.-school niet gericht is op enig rechtsgevolg. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat hun zoon als gevolg van dit advies door de scholen die zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband ‘Weer samen naar school’ niet wordt toegelaten.

Dit gestelde feitelijke gevolg van het advies van de PCL betekent, wat daar overigens van zij, niet dat het niet-bindende advies van de PCL op enig rechtsgevolg gericht is. Het betoog faalt.

2.5. Hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd, is een herhaling van hetgeen in beroep bij de rechtbank is aangevoerd en kan, mede gelet op het hiervoor onder 2.4 overwogene, evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

66-362.