Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200101700/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/188
Module Ruimtelijke ordening 2002/242

Uitspraak

200101700/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 februari 2001 in het geding tussen:

appellant

en

burgemeester en wethouders van Haaren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 1998 hebben burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: burgemeester en wethouders) appellant onder oplegging van drie lasten onder dwangsom aangeschreven de verbouwing op zijn perceel [locatie] te [plaats] van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw tot kampeerboerderij ongedaan te maken.

Bij besluit van 23 november 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie behandeling bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Haaren van 24 september 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 februari 2001, verzonden op 22 februari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Veghel, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [derden], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders. Vast staat dat de verbouwing heeft plaatsgevonden zonder bouwvergunning.

2.1.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk, met dien verstande dat die veranderingen geen betrekking hebben op de draagconstructie van het bouwwerk, geen uitbreiding van het bebouwde oppervlak plaatsvindt en het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.1.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verbouwing dient te worden aangemerkt als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard waarvoor ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist. Dit betoog faalt. Appellant heeft in een gedeelte van de bestaande stallen een cv-ketel, een kookgelegenheid, een afzuiginstallatie, een aanrecht met spoelbakken, kranen, koelkasten, toiletten, een douchegelegenheid en wastafels aangebracht. Hierdoor is deze stal geschikt gemaakt voor het gebruik als kampeerboerderij. Het bestaande gebruik wordt derhalve niet gehandhaafd.

2.1.3. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat burgemeester en wethouders bevoegd waren tot het treffen van handhavingsmaatregelen over te gaan.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

2.2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verbouwing in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9.2.1, onder d, van de planvoorschriften, zodat daarvoor alsnog bouwvergunning kan worden verleend.

2.2.2. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1996” is het perceel van appellant - voor zover hier van belang - bestemd tot “Agrarisch bouwblok”.

Ingevolge artikel 9.1.1 van de planvoorschriften - voor zover hier van belang - zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor de duurzame uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 9.1.3., aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn deze gronden voorts bestemd voor beperkte verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen, uitsluitend met tenten en/of caravans, niet zijnde stacaravans, en uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

Ingevolge artikel 9.2.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn binnen het “Agrarisch bouwblok”, met inachtneming van hetgeen overigens in dit artikel bepaald is en uitsluitend ten dienste van de in de doeleindenomschrijving aangegeven bestemming toegestaan voorzieningen ten dienste van een eventuele verblijfsrecreatieve functie, bij voorkeur geïntegreerd in de bedrijfsbebouwing.

2.2.3. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen staat het bestemmingsplan slechts een beperkte vorm van verblijfsrecreatie toe die concreet is beschreven in artikel 9.1.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. De exploitatie van een kampeerboerderij is hiermee in strijd zodat voor de verbouwing niet met toepassing van artikel 9.2.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften bouwvergunning kan worden verleend. Voorts is gesteld noch gebleken dat het bestemmingsplan een vrijstellingsbepaling bevat met toepassing waarvan bouwvergunning kan worden verleend.

2.2.4. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat er een concreet zicht op legalisatie bestaat omdat het op 12 mei 1999 in werking getreden bestemmingsplan “Buitengebied 1996” nog niet onherroepelijk is. Appellant heeft beroep bij de Afdeling ingesteld tegen het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 januari 1999 over de goedkeuring van dit bestemmingsplan omdat hij zich niet kan verenigen met het bepaalde in artikel 9.1.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften voor zover het niet is toegestaan een kampeerboerderij op zijn perceel te exploiteren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de enkele omstandigheid dat er nog een beroep aanhangig is tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten ontoereikend om de conclusie te rechtvaardigen dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Overigens heeft de Afdeling bij uitspraak van heden in de zaak met nummer E01.99.0140/1 het beroep van appellant op dit punt ongegrond verklaard.

2.2.5. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat van een concreet zicht op legalisatie geen sprake is.

2.3. Zoals de rechtbank voorts terecht heeft overwogen is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders aanleiding hadden moeten vinden om van handhavend optreden af te zien.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Bastein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Bastein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

13.