Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200100903/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200100903/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten], wonend te [woonplaats],

3. [appellante], gevestigd te [plaats]

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2000 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer, op voorstel van burgemeester en wethouders van 16 mei 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "'t Kabel".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 9 januari 2001, kenmerk 2000-24129, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 19 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2001, appellanten sub 2 bij brief van 27 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2001, en appellante sub 3 bij brief van 2 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2001, beroep ingesteld. Appellante sub 3 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 2 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 november 2001 (verder te noemen: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2002, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, appellanten sub 2, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. F.H. Koers, advocaat te Amsterdam, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. R.D.J. Muetstege, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plangebied ligt ten oosten van Nieuw Vennep, ten zuiden van de Venneperweg en ten westen van de Rijnlanderweg. Het plan is gericht op de versterking en het behoud van het landelijk karakter en de woonfunctie van het gebied. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellant sub 1, eigenaar van een tuincentrum/kwekerij, heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte het plandeel met de bestemming “Agrarische doeleinden grondgebonden (Ag)” hebben goedgekeurd, dat betrekking heeft op het zuidelijke deel van zijn perceel. Hij betoogt dat door het toekennen van deze bestemming aan een groot gedeelte van zijn perceel het bouwen van kassen alleen mogelijk is via een vrijstelling, hetgeen volgens hem te veel beperkingen oplevert. Hij heeft de wens om in deze kassen naast grondgebonden teelt ook niet-grondgebonden teelt uit te oefenen; dit is volgens hem na toepassing van de vrijstelling niet mogelijk.

Voorts heeft hij aangevoerd dat verweerders ten onrechte het plandeel met de bestemming “Wonen I (W I)” hebben goedgekeurd, dat betrekking heeft op het noordelijke deel van zijn perceel. Hij betoogt dat het bouwvlak dat op de plankaart voor zijn woning is opgenomen onjuist is, aangezien zijn woning gedeeltelijk hierbuiten valt.

2.4.1. De gemeenteraad betoogt dat het in zeer beperkte mate toestaan van uitbreidingen van bestaande bedrijven in overeenstemming is met het rijks- en provinciaal beleid. Gelet hierop wordt de vrijstelling voor de bouw van kassen op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden grondgebonden (Ag)” alleen verleend indien de kassen daadwerkelijk en uitsluitend noodzakelijk zijn voor een agrarische bedrijfsuitoefening.

2.4.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze plandelen goedgekeurd. Zij zijn evenals de gemeenteraad van mening dat met uitbreidingen van bestaande bedrijven, gezien de ligging van het plangebied in het Groene Hart, terughoudend moet worden omgegaan. Zij hebben de bedenkingen van appellant sub 1 ongegrond verklaard.

2.4.3. De buurtschap ‘t Kabel maakt deel uit van het Groene Hart.

Zoals in de toelichting op het plan staat vermeld, is voor dit deel van Haarlemmermeer het rijks- en provinciaal beleid erop gericht de voor dit gebied kenmerkende grootschalige openheid en het landschappelijk karakter te bewaren. Het beleid laat in beginsel geen uitbreidingen van bedrijven toe. Dit beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als “Ag” aangewezen gronden bestemd voor het kweken van agrarische produkten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op de gronden met de bestemming “Ag” alleen met vrijstelling kassen toegestaan. Wel kunnen hier, voorzover dat noodzakelijk is, zogenaamde gaaskassen worden opgericht ter ondersteuning van koude teelt.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen ten behoeve van de bouw van kassen op gronden met de bestemming “Ag”, met dien verstande dat vooraf advies wordt ingewonnen bij een door de gemeente als zodanig aangewezen instantie, die ter zake kundig is op het gebied van de exploitatie van agrarische bedrijven. De adviesaanvraag heeft betrekking op de vraag of de voorgenomen bouw van kassen uitsluitend dient voor de uitoefening van een rendabele agrarische bedrijfsactiviteit en of de kassenteelt in die zin voldoende continuïteit heeft.

De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat het niet rechtstreeks mogelijk maken van de bouw van kassen, gezien de ligging van het plangebied in het Groene Hart, in overeenstemming is met het rijks- en provinciaal beleid, juist. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit beleid rechtvaardigen is niet gebleken.

Voorzover appellant sub 1 meent door de vrijstellingsregeling te worden beperkt in zijn wens zowel grondgebonden als niet-grondgebonden produkten te kweken, overweegt de Afdeling dat, zoals hiervoor reeds overwogen, de op de plankaart als “Ag” aangewezen gronden zijn bestemd voor het kweken van agrarische produkten. Onder het kweken van agrarische produkten vallen zowel grondgebonden als niet-grondgebonden activiteiten. Gelet hierop worden de kweekactiviteiten die appellant sub 1 wenst uit te voeren door het plan niet uitgesloten. Overigens is ter zitting door de gemeenteraad verklaard dat hij tegen niet-grondgebonden teelt geen bezwaar heeft.

2.4.4. De woning van appellant sub 1 staat blijkens de plankaart grotendeels in het bouwvlak “W I”. Een klein gedeelte van de woning valt net buiten het bouwvlak en staat op gronden die op de plankaart zijn aangeduid als “met gebouwen (mg)”.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en mogen aan- en uitbouwen ook worden opgericht op gronden met de aanduiding “met gebouwen (mg)”.

Onder hoofdgebouw dient ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften te worden verstaan het deel van de woning, dat zich door omvang en hoogte manifesteert als de eigenlijke woning.

Onder aan- of uitbouw dient te worden verstaan een uit het hoofdgebouw stekend bouwwerk, dat al dan niet rechtstreeks vanuit de woning toegankelijk is en een woonfunctie heeft, zoals erkers, toegangsportalen, (bij)keukens en woon- of slaapgedeelten van de woning.

De Afdeling stelt vast dat het gedeelte van de woning van appellant sub 1 dat binnen het bouwvlak staat, moet worden aangemerkt als hoofdgebouw en het gedeelte buiten het bouwvlak als aan- of uitbouw.

Het woonhuis van appellant sub 1 is daarmee in overeenstemming met de huidige situatie bestemd.

Voorzover appellant sub 1 zijn woning wenst uit te breiden stelt de Afdeling vast dat het plan een dergelijke uitbreiding niet toestaat.

Het standpunt van verweerders dat verdere uitbreiding van de woning van appellant sub 1 gelet op de openheid van het gebied niet wenselijk is, acht de Afdeling gezien het rijks- en provinciale beleid dat voor het gebied geldt, niet onredelijk.

2.4.5. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gedeelte van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant sub 1 heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan dit gedeelte van het plan.

Het beroep van appellant sub 1 is ongegrond.

2.5. Appellanten sub 2, bewoners van ‘t Kabel, hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte het plandeel met de bestemming “Verblijfsgebied (Vb)” hebben goedgekeurd, voorzover dat betrekking heeft op de aanleg van een dam in de nabijheid van hun woning. Zij betogen dat door deze dam de verkeersveiligheid en de veiligheid van spelende kinderen in gevaar komen. Verder stellen zij dat door de mogelijkheid van een oversteek via de dam naar de Venneperweg het sluipverkeer op ‘t Kabel zal toenemen, omdat op de kruising van de Venneperweg en de Rijnlanderweg voorzien is in een rotonde. Daarnaast vrezen zij voor schade aan hun woning vanwege trillingen.

Het bezwaar tegen het plandeel met de bestemming “Wonen III (W III)” dat betrekking heeft op hun perceel, hebben zij ingetrokken. Ter zitting is duidelijk geworden dat de aanduiding “W III” het aantal ten hoogste aaneen te bouwen woningen regelt en niet het aantal woningen in het van deze aanduiding voorziene plandeel.

2.5.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben de bedenkingen van appellanten sub 2 ongegrond verklaard.

2.5.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als “Verblijfsgebied (Vb)” aangewezen gronden bestemd voor de ontsluiting van aanliggende percelen en als doorgaande langzaam verkeersroute. Blijkens de plankaart is de parallelweg ‘t Kabel aangewezen als verblijfsgebied. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat eventuele aanpassingen aan de parallelweg, daaronder begrepen de dammen, mogelijk zijn als dat wenselijk is ter verbetering van de verkeersveiligheid.

Uit de plantoelichting blijkt tevens dat de parallelweg primair bedoeld is als langzaam verkeersroute en dat de aan te leggen dammen kunnen fungeren als in- en uitritten ten behoeve van de bewoners van ‘t Kabel en het bestemmingsverkeer.

De Venneperweg heeft de bestemming “Verkeer (V)” gekregen.

In het plan is niet geregeld waar dammen zullen worden aangelegd. Gelet op de toegekende bestemming is het echter mogelijk dat dit gebeurt voor de woning van appellanten op korte afstand van de rotonde.

Aldus zou vanaf ‘t Kabel de Venneperweg kunnen worden opgereden om zo via de rotonde op de Rijnlanderweg te komen. Uit de stukken is gebleken dat het plaatsen van een dam zo dicht mogelijk bij de rotonde de meest veilige optie is, aangezien de snelheid op de Venneperweg lager is naarmate de rotonde dichterbij ligt.

Voor de opvatting van appellanten sub 2 dat de mogelijkheid tot de aanleg van een dam vlak voor de rotonde het sluipverkeer stimuleert ziet de Afdeling, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse en het deskundigenbericht, geen aanleiding. Voorts acht zij het aannemelijk dat de verkeersveiligheid door middel van verkeersregelgeving, die in deze procedure niet aan de orde kan komen, in voldoende mate kan worden gewaarborgd.

Dat ten gevolge van trillingen veroorzaakt door het verkeer over de Venneperweg zodanige schade ontstaat aan de woning van appellanten sub 2 dat verweerders reeds daarom goedkeuring hadden moeten onthouden aan dit plandeel, is niet aannemelijk geworden.

2.5.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gedeelte van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan dit gedeelte van het plan.

Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.6. Appellante sub 3 heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte het plandeel met de bestemming “Wonen I (W I)” hebben goedgekeurd, dat betrekking heeft op haar perceel. Zij wenst een andere bestemming ten behoeve van haar bedrijf, omdat de woonbestemming haar bedrijfsactiviteiten te veel beperkt. Daarnaast heeft zij de wens in de toekomst haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden.

Hetgeen appellante sub 3 heeft aangevoerd over strijd van de woonbestemming met de Wet geluidhinder en de Planologische Kernbeslissing Schiphol heeft zij ter zitting ingetrokken.

2.6.1. De gemeenteraad betoogt dat gelet op de geluidsbelasting vanwege het vliegtuiglawaai geen nieuwbouw van woningen wordt toegestaan. Bestaande woningen worden echter niet gesloopt.

Voorts voert de gemeenteraad aan dat het perceel van appellante sub 3 is bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik, hetgeen wonen en een caravanstalling is.

2.6.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij menen dat uitbreiding van het bedrijf van appellante sub 3, gezien de ligging van het plangebied in het Groene Hart, onwenselijk is.

Zij hebben de bedenkingen van appellante sub 3 ongegrond verklaard.

2.6.3. De Afdeling stelt vast dat het stallen van caravans en de opslag van materiaal ten behoeve van de kassenbouw, zoals deze thans plaatsvinden, door het plan niet worden uitgesloten. Aan “lichte” bewerkingsactiviteiten van deze materialen staat het plan, zolang deze van ondergeschikte aard zijn, evenmin in de weg.

Gelet hierop kan appellante sub 3 de bedrijfsactiviteiten die zij thans uitvoert blijven verrichten.

Zoals hiervoor overwogen, maakt de buurtschap ‘t Kabel deel uit van het Groene Hart en is voor dit deel van Haarlemmermeer het rijks- en provinciaal beleid erop gericht de voor dit gebied kenmerkende grootschalige openheid en het landschappelijk karakter te bewaren. Het beleid laat in beginsel geen uitbreidingen van bedrijven toe. De Afdeling komt dit beleid niet onredelijk voor.

De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat uitbreiding van het bedrijf van appellante sub 3, gezien de ligging van het plangebied in het Groene Hart, niet in overeenstemming is met het rijks- en provinciaal beleid, juist. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit beleid rechtvaardigen is niet gebleken.

2.6.4. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gedeelte van het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante sub 3 heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan dit gedeelte van het plan.

Het beroep van appellante sub 3 is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

176-368.