Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200104152/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

APV-verbod aanplakken affiches zonder toestemming rechthebbenden niet strijdig met art. 7.1 GW of art. 10.2 EVRM. Niet aannemelijk dat weigering op zodanige schaal zou geschieden dat geen gebruiksmogelijkheden overblijven.

Bestuursdwangaanschrijving tot het verwijderen van posters aangeplakt op verkeersregelkastjes en een gebouw. D.m.v. van de posters werd bekendheid gegeven aan een tweetal dansevenementen, een filmfestival en een commerciëel radiostation. Ingevolge art. C49 APV is het onder meer verboden zonder toestemming van de rechthebbende op voorwerpen die zich op of aan een weg dan wel in of aan een openbaar water bevinden, letters, cijfers, tekens afbeeldingen of spandoeken aan te brengen. Appellante heeft betoogd dat dit artikel onverbindend is, omdat het ook andere uitingen verbiedt en er in de gemeente geen enkele mogelijkheid is om zonder voorafgaande toestemming aan te plakken. Dit ten onrechte. Appellante gaat er ten onrechte aan voorbij dat het begrip voorafgaand verlof in art. 7.1 GW uitsluitend betrekking heeft op verlof van de overheid. De omstandigheid dat het aanplakken van affiches door het verbod in de APV afhankelijk is van toestemming van rechthebbenden levert geen strijd op met art. 7.1 GW, nu niet aannemelijk is geworden dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met aanplakking dat geen gebruiksmogelijkheden van enige betekenis van het onderhavige middel van bekendmaking zouden overblijven.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de voorafgaande toestemming van de rechthebbende moet worden beschouwd als een beperking van de vrijheid van meningsuiting ter bescherming van de rechten van anderen (onder wie ook de overheid als eigenaar), welke beperking is geoorloofd op basis van art. 10.2 EVRM.

Hoger beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/221 met annotatie van J. van der Velde
AB 2002, 361

Uitspraak

200104152/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Project 2 Buitenreclame, voorheen de venootschap onder firma Project 2 Buitenreclame, gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 9 juli 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Franekeradeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders van Franekeradeel (hierna: burgemeester en wethouders) appellante op straffe van bestuursdwang gelast binnen vijf werkdagen na verzending van dit besluit de posters (inclusief lijmresten) te verwijderen die in strijd met artikel C 49 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) zijn aangeplakt op de verkeersregelkastjes Hertog van Saxenlaan (bij de kruising met de Troelstraweg) en het gebouw op het adres Martiniplantsoen 39 te Franeker. Appellante is voorts medegedeeld dat indien hieraan niet is voldaan, de posters op kosten van appellante van gemeentewege zullen worden verwijderd.

Bij besluit van 22 juni 1999 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 10 mei 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 november 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door J.A.C. Moerkerk, directeur, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P.D. van der Ploeg en R.S. Meulenaar, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel C 49 van de APV, voor zover hier van belang, is het verboden zonder toestemming van de rechthebbende op voorwerpen – als bomen, muren, deuren, schuttingen en andere erfafscheidingen -, die zich op of aan een weg dan wel in of aan een openbaar water bevinden, letters, cijfers, tekens, afbeeldingen of spandoeken aan te brengen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Grondwet heeft niemand voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel zijn de voorgaande leden niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

2.2. Artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) luidt:

"1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen."

2.3. Door middel van de posters werd bekendheid gegeven aan een dansevenement in Groningen, een filmfestival in Groningen, een dansevenement in Leeuwarden en het commerciële radiostation Rebecca Radio.

Vast staat dat de gemeente als eigenaar van de verkeersregelkastjes geen toestemming heeft gegeven voor de aanplakking, evenmin als de eigenaar van de kerk op het Martiniplantsoen 39. Niet in geschil is voorts dat de posters onder verantwoordelijkheid van appellante zijn aangeplakt.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de affiches handelsreclame bevatten als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, zodat appellante geen beroep toekomt op bescherming van de vrijheid van meningsuiting door middel van dat artikel. Evenmin kan appellante bescherming ontlenen aan artikel 10 EVRM, nu, voor zover sprake was van het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, het hebben van toestemming van de rechthebbende een op basis van het tweede lid geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting is, aldus de rechtbank. Naar het oordeel van de rechtbank hebben burgemeester en wethouders van hun bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang in redelijkheid gebruik kunnen maken en is ook anderszins niet gebleken dat het besluit in rechte geen stand kan houden.

2.5. Appellante heeft allereerst betoogd dat, ongeacht de vraag of de affiches handelsreclame bevatten, artikel C 49 van de APV onverbindend is, omdat het ook andere uitingen verbiedt en er in de gemeente Franekeradeel geen enkele mogelijkheid is om zonder voorafgaande toestemming aan te plakken. Voorts heeft ze betoogd dat discutabel is of in dit geval van handelsreclame sprake is.

2.6. Dit betoog slaagt ten dele. Niet is komen vast te staan dat alle affiches uitsluitend handelsreclame bevatten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, staat artikel 7, vierde lid, van de Grondwet in dit geval derhalve niet in de weg aan een beroep op het eerste lid. Appellante gaat er evenwel ten onrechte aan voorbij dat het begrip voorafgaand verlof in het eerste lid uitsluitend betrekking heeft op verlof van de overheid. De omstandigheid dat het aanplakken van affiches door het verbod van artikel C 49 afhankelijk is van toestemming van rechthebbenden levert geen strijd op met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet, nu niet aannemelijk is geworden dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met aanplakking dat geen gebruiksmogelijkheden van enige betekenis van het onderhavige middel van bekendmaking zouden overblijven.

2.7. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de voorafgaande toestemming van de rechthebbende moet worden beschouwd als een beperking van de vrijheid van meningsuiting ter bescherming van de rechten van anderen (onder wie ook de overheid als eigenaar), welke beperking is geoorloofd op basis van artikel 10, tweede lid, EVRM. Van strijd met artikel 10 EVRM is derhalve evenmin sprake.

2.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

306.