Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200101771/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200101771/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

gedeputeerde staten van Groningen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2000 heeft de gemeenteraad van Eemsmond, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 juli 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Weg Rixona".

Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 13 februari 2001, no. 2000-18.719/1/7, RBB, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 mei 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna te noemen: deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 30 oktober 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerders, vertegenwoordigd door J. Koopmans, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad van de gemeente Eemsmond, vertegenwoordigd door B. Luurtsema en H.J. Uilenberg-Buist, ambtenaren der gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een verbindingsweg, ten westen van de kern Warffum, tussen de provinciale weg N363 en de Westervalge. Deze weg wordt nodig geacht om het binnen de bebouwde kom gelegen deel van de Westervalge te ontlasten van het vrachtverkeer van en naar het aardappelverwerkende bedrijf Rixona.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.4. Appellanten, allen woonachtig aan de Westervalge, hebben in beroep gesteld dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben gegeven aan het in het plan gekozen tracé van de weg. Zij zijn van mening dat ook het gedeelte van de Westervalge buiten de bebouwde kom ongeschikt is voor vrachtverkeer en betogen dat het plan verkeersonveilige situaties, overlast en schade zal veroorzaken. Voorts voeren zij aan dat door de aanleg van de weg de landschappelijke waarden van het gebied zullen worden aangetast.

2.5. Verweerders hebben in navolging van de gemeenteraad geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij hebben overwogen dat met de uitvoering van het plan een aanzienlijk deel van de Westervalge zal worden ontlast. Zij stellen dat de veiligheid niet in geding is nu op de nieuw aan te leggen kruising een fietsoversteekplaats zal worden aangelegd.

2.5.1. De Afdeling neemt het volgende in aanmerking. Niet in geschil is dat een nieuwe verbindingsweg dient te worden aangelegd in verband met de huidige verkeersdruk binnen de bebouwde kom.

Slechts het deel van de Westervalge dat zal aansluiten op de nieuwe weg is opgenomen in het plan, zodat de verkeerssituatie op het overige deel van deze weg thans niet aan de orde is. In het bestemmingsplan is geen rechtens bindende regeling opgenomen over de inrichting van de nieuwe weg. Uit de stukken is af te leiden dat de Westervalge ongeveer 6 meter breed is. Ook de breedte van de nieuwe weg zal blijkens de plantoelichting ongeveer 6 meter zijn. De nieuwe weg zal in de bocht van de Westervalge een zogeheten T-aansluiting krijgen.

Blijkens het deskundigenbericht zal de maximumsnelheid op de Westervalge worden teruggebracht van 80 naar 60 kilometer per uur. Verder zal een onderbroken kantbelijning worden aangebracht. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad aangegeven dat de nieuwe weg op dezelfde wijze zal worden ingericht. Ter hoogte van de T-aansluiting zal een aparte fietsoversteekplaats worden aangelegd. Het plan staat aan deze maatregelen niet in de weg. Hoewel aannemelijk is dat geen volledig verkeersveilige situatie zal worden bereikt, hebben verweerders gelet op het voorgaande in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de aanleg van de weg in ieder geval niet tot een vermindering van de verkeersveiligheid zal leiden.

De woningen van appellanten staan op een afstand variërend van ongeveer 10 tot 20 meter van de Westervalge. De afstand van de nieuwe weg tot de woningen varieert van ongeveer 80 tot 140 meter. Onbestreden is dat het aantal verkeersbewegingen op de nieuwe verbindingsweg en de Westervalge ongeveer 1400 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen. Gelet op deze feiten en omstandigheden hebben verweerders het standpunt kunnen innemen dat het plan geen onaanvaardbare toename van geluidhinder en overlast door trillingen voor de woningen met zich zal brengen.

Vaststaat dat het plan leidt tot een vermindering van het uitzicht, maar verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Gelet op hetgeen over de vermindering van het uitzicht is komen vast te staan, hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een ernstige aantasting van het uitzicht leidt.

Volgens het deskundigenbericht wordt het landschapsbeeld van het gebied door de directe nabijheid van de bebouwde kom voor een belangrijk deel bepaald door het dorp en is het gebied op te vatten als dorpsrandzone. De gronden hebben volgens het deskundigenbericht geen belangrijke cultuurhistorische of natuurwaarden. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen reden daarover anders te oordelen. In de toelichting is opgenomen dat bij de aanleg van de weg rekening zal worden gehouden met de aanleg van nieuwe sloten en laanbeplanting in brede bermen, zodat aangesloten wordt bij de landschappelijke karakteristiek van het gebied. Gelet hierop is het standpunt van verweerders dat het landschap niet in belangrijke mate wordt aangetast door de aanleg van de weg, niet onredelijk.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van hun woningen betreft, is niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerders hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen.

Voor zover de voorkeur van appellanten uitgaat naar een ander tracé heeft de Afdeling meermalen geoordeeld dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.5.2. Gezien al het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

176-290.