Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200102017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200102017/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 maart 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

burgemeester en wethouders van Doorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 1999 hebben burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: burgemeester en wethouders) aan de stichting "Doornse Woningstichting" met toepassing van artikel 13, aanhef en onder c en f, van het bestemmingsplan “Centrum” vrijstelling en vergunning verleend voor het bouwen van negen appartementen/maisonettes aan de Kerklaan te Doorn, kadastraal bekend gemeente Doorn, sectie A, nummer 5834.

Bij besluit van 8 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 juli 1999 gewijzigd door alsnog met toepassing van artikel 5, vierde lid, onder e, van het bestemmingsplan “Centrum” vrijstelling te verlenen en de met toepassing van artikel 13, lid f, verleende vrijstelling te herroepen. Dit besluit en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften Doorn van 10 januari 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 23 april 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2002, waar appellanten, bij monde van [gemachtigden], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door H.J. Knibbe, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten onder meer betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet past in de omgeving en derhalve niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat burgemeester en wethouders de voor de gevelbreedte van het bouwplan verleende vrijstelling niet hadden kunnen verlenen. Deze gronden dienen echter met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten, aangezien appellanten deze niet in hun hoger beroepschrift hebben aangevoerd.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Centrum” (hierna: het bestemmingsplan) is het bouwplan gesitueerd op gronden met de bestemming “Woondoeleinden“. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan, zijn ten dienste van en in verband met deze bestemming vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen, al dan niet in gestapelde vorm, toegelaten.

In artikel 4, aanhef, van de planvoorschriften is bepaald dat in dit artikel op hoofdlijnen wordt aangegeven op welke wijze de doeleinden worden nagestreefd die aan de gronden binnen het plangebied bij dit bestemmingsplan zijn toegekend. Ingevolge het eerste lid van dit artikel zullen alle maatregelen en ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behoud van de aanwezige ruimtelijke karakteristiek. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat voor de differentiatie van de ruimtelijke karakteristiek wordt verwezen naar de bijlage “Ruimtelijke karakteristiek”.

In artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat de woningen moeten worden afgedekt met een kap. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder q, van de planvoorschriften wordt onder een kap verstaan: een gesloten en (gedeeltelijk) hellende bovenbeëindiging van een bouwwerk. In artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften is bepaald dat van een gebouw, waarvoor de maximum goothoogte en geen maximum hoogte is bepaald, geen deel mag uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken die de gevels snijden ter hoogte van de maximum goothoogte en die terugvallen onder hoeken van 55o en, indien met een mansardekap wordt afgedekt, onder een hoek van 80o met de horizon.

In artikel 1, aanhef en onder b, van de voorschriften behorende bij het Wijzigingsplan “Kerklaan” (een partiële wijziging van het bestemmingsplan, hierna: het wijzigingsplan) bedraagt de maximale goothoogte 6 meter.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder c, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen voor het overschrijden en onderschrijden van de bepalingen inzake goothoogte, hoogte en oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%.

2.3. Appellanten betogen dat het bouwplan in strijd is met de beschrijving in hoofdlijnen zoals bepaald in artikel 4 van de planvoorschriften, omdat het niet past in de ruimtelijke karakteristiek die is beschreven voor het deelgebied waarin het bouwplan zich bevindt.

De Afdeling stelt voorop dat de ruimtelijke karakteristiek slechts een toetsingskader vormt voor bouwaanvragen indien deze voldoende duidelijk en concreet is. Voorzover appellanten dan ook doelen op de in de vermelde ruimtelijke karakteristiek beschreven goothoogte van de bebouwing, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat - zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in de uitspraak van 27 november 1998 (nummer H01.98.0348, AB 1999, 355) - toetsing aan een beschrijving in hoofdlijnen een concreet bebouwingsvoorschrift uit het bestemmingsplan niet opzij kan zetten. Het betoog van appellanten kan derhalve niet slagen.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat het bouwplan is voorzien van een kap in plaats van een derde bouwlaag met hellende gevels en een aflopend plat dak. Indien deze bovenbeëindiging als een kap moet worden aangemerkt, is ingevolge artikel 2, tweede lid, van de planvoorschriften een gebouw met nog grotere hoogte toegestaan, hetgeen niet de bedoeling kan zijn geweest, aldus appellanten.

Dit betoog faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat burgemeester en wethouders terecht hebben vastgesteld dat de woningen waarvoor bij de beslissing op bezwaar vergunning is verleend, zijn voorzien van een kap zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder q, van de planvoorschriften. Het bestemmingsplan staat er niet aan in de weg dat de ruimte onder deze kap wordt gebruikt als derde woonlaag. Dat de planvoorschriften ook een bouwplan met nog grotere hoogte toestaan, doet hieraan niet af.

2.5. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders de borstwering van het terras ten onrechte hebben aangemerkt als een in visueel opzicht met een goot of druiplijn gelijk te stellen constructieonderdeel.

Dit betoog faalt. Met de rechtbank stelt de Afdeling vast dat burgemeester en wethouders voor het bepalen van de goothoogte van het bouwplan terecht toepassing hebben gegeven aan artikel 2, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften. Het aanmerken van de borstwering van het terras als een in visueel opzicht met een goot of druiplijn gelijk te stellen constructieonderdeel komt, mede gelet op de terugtredende gevel vanaf dat punt, ook de Afdeling niet onjuist voor.

2.6. Appellanten betogen tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het gebouw aan de voorzijde de toegestane hoogte overschrijdt.

Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat burgemeester en wethouders terecht hebben vastgesteld dat het gebouw niet uitsteekt buiten het denkbeeldige vlak dat de voorgevel snijdt ter hoogte van de maximum goothoogte en terugvalt onder een hoek van 550.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sluiter

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

292.