Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200102645/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het restrictieve karakter van art. 4:25.3 Awb staat overschrijding subsidieplafond in de weg indien overige subsidieverleningsbesluiten reeds rechtens onaantastbaar zijn.

Verweerder heeft appellant een premie in het kader van de Arbeidsplaatsen-premieregeling Twente toegekend voor 53 arbeidsplaatsen en voor de overige 42 arbeidsplaatsen het verzoek afgewezen. De rechtbank Zwolle heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001, in zaak nr. 200005049/1, AB 2001, nr. 356 (gepubliceerd in url(' MS 2001, 371',http://www.rechtspraak.nl/actueel/showdetail_homepage.asp?act_id=4776)), betoogd dat niet met een enkele verwijzing naar het subsidieplafond voorbij kan worden gegaan aan haar betoog dat aan andere bedrijven ten onrechte subsidie is toegekend. Niet in geschil is dat verlening van subsidie aan appellante voor meer dan 53 arbeidsplaatsen, gezien het aantal aanvragen waarvoor reeds subsidie was verleend op het moment dat de aanvraag van appellante werd behandeld, tot overschrijding van het subsidieplafond zou leiden. Uit de artt. 4:25, tweede en derde lid, Awb, in hun onderlinge samenhang bezien, volgt dat de wet slechts overschrijding van een bij of krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld subsidieplafond toestaat indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent de verstrekking werd beslist. Nu in het onderhavige geval de besluiten tot subsidieverlening aan de andere door appellante genoemde bedrijven, die mede tot gevolg hadden dat het subsidieplafond was bereikt, in rechte onaantastbaar waren geworden, staat het restrictieve karakter van lid 3 van art. 4:25 Awb er aan in de weg alsnog aan appellante subsidie te verlenen voor meer dan 53 arbeidsplaatsen. De rechtmatigheid van de andere subsidiebesluiten kan alleen worden beoordeeld in een bezwaar- en beroepsprocedure daartegen.

Het beroep van appellante op de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001 kan in dit verband niet slagen, reeds omdat die uitspraak betrekking had op een situatie waarin een subsidie was verleend aan een categorie bedrijven waarvoor de subsidie rechtens in het geheel niet was bestemd. Een vergelijkbare situatie is in dit geval gesteld noch gebleken.

Hoger beroep ongegrond.

Gedeputeerde staten van de provincie Overijssel, verweerder.

mrs. J.M. Boll, C. de Gooijer, H. Troostwijk

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/239
AB 2003, 124

Uitspraak

200102645/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap "Strukton Groep N.V.", gevestigd te Maarssen,

appellante,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 17 april 2001 in het geding tussen:

appellante

en

gedeputeerde staten van de provincie Overijssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 1999 hebben gedeputeerde staten van de provincie Overijssel (hierna: GS) een aanvraag van appellante om een premie in het kader van de Arbeidsplaatsen-premieregeling Twente (hierna: de Regeling) afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2000 hebben GS het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog een premie toegekend voor 53 arbeidsplaatsen en voor de overige 42 arbeidsplaatsen het verzoek afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 april 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2001 hebben GS een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2001, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, en GS, vertegenwoordigd door R.W. Schuuring en

A.J. Wisselink, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft in haar hoger beroepschrift aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat GS van het vastgestelde subsidieplafond mochten uitgaan, hoewel dit plafond mogelijkerwijs niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Ter zitting heeft appellante verklaard geen beroep te doen op de wijze van publicatie van het subsidieplafond, zodat aangenomen moet worden dat het beroep in zoverre is ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt een subsidie geweigerd voorzover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel geldt de verplichting van het tweede lid slechts voorzover zij ook gold op het tijdstip waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten worden genomen, indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent de verstrekking wordt beslist.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Regeling wordt premie slechts verleend voorzover het totaal beschikbare bedrag voor subsidieverlening niet wordt overschreden.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Regeling worden aanvragen behandeld op volgorde van binnenkomst voorzover zij volledig zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6,7 en 8.

2.3. Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zij niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat mogelijk ten onrechte aan een aantal bedrijven subsidie is verleend, alsmede met het oordeel van de rechtbank dat de besluiten tot verlening van de desbetreffende subsidies inmiddels in rechte onaantastbaar zijn. Appellante heeft ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001, in zaak nr. 200005049/1, AB 2001, nr. 356, betoogd dat niet met een enkele verwijzing naar het subsidieplafond voorbij kan worden gegaan aan haar betoog dat aan andere bedrijven ten onrechte subsidie is toegekend en dat de leer van de formele rechtskracht geen onbeperkte toepassing kan vinden in deze zaak.

2.4. Niet in geschil is dat verlening van subsidie aan appellante voor meer dan 53 arbeidsplaatsen, gezien het aantal aanvragen waarvoor reeds subsidie was verleend op het moment dat de aanvraag van appellante werd behandeld, tot overschrijding van het subsidieplafond zou leiden. Uit de artikelen 4:25, tweede en derde lid, van de Awb, in hun onderlinge samenhang bezien, volgt dat de wet slechts overschrijding van een bij of krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld subsidieplafond toestaat indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent de verstrekking werd beslist. Nu in het onderhavige geval de besluiten tot subsidieverlening aan de andere door appellante genoemde bedrijven, die mede tot gevolg hadden dat het subsidieplafond was bereikt, in rechte onaantastbaar waren geworden, staat het restrictieve karakter van het derde lid van artikel 4:25 van de Awb er aan in de weg alsnog aan appellante subsidie te verlenen voor meer dan 53 arbeidsplaatsen. De rechtmatigheid van de andere subsidiebesluiten kan alleen worden beoordeeld in een bezwaar- en beroepsprocedure daartegen. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2001 kan in dit verband niet slagen, reeds omdat die uitspraak betrekking had op een situatie waarin een subsidie was verleend aan een categorie bedrijven waarvoor de subsidie rechtens in het geheel niet was bestemd. Een vergelijkbare situatie is in dit geval gesteld noch gebleken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Schothorst

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

229-362.