Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200104471/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200104471/2.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen,

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Roggel en Neer,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2001, kenmerk 5/2000, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rijmar B.V." te Roermond een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een tankstation met autowasstraat, op het perceel plaatselijk bekend als Hoek ongenummerd te Roggel, kadastraal bekend gemeente Roggel en Neer, sectie G, nummers 511, 517, 519 en 2697. Dit aangehechte besluit is op 3 augustus 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2001, appellanten sub 2 bij brief van 10 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2001, en appellant sub 3 bij brief van 13 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 september 2001. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 28 september 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. E. Schreur, advocaat te Maastricht, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Roermond en appellant sub 3, vertegenwoordigd door

mr. A.J. Likkel, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellanten sub 1, 2 en 3, omwonenden van de inrichting, vrezen geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting en vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

2.2.1. Verweerders stellen zich kort gezegd op het standpunt dat de geluidbelasting van de inrichting ruim onder het referentieniveau van het omgevingsgeluid ligt, zodat voor geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd. Dit standpunt is onder meer gebaseerd op een akoestisch onderzoek van 1 maart 2000.

2.2.2. Ingevolge artikel 5.1 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer dient de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer te vermelden: de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting, de aard van de inrichting en de indeling van de inrichting.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat van het bestreden besluit deel uitmaakt een bij de aanvraag behorende situatietekening, gedateerd 18 augustus 1999, waarop de grenzen van de inrichting zijn aangegeven. Als kadastrale aanduiding is op deze tekening aangegeven gemeente Roggel en Neer, sectie G, nummers 511, 517, 519 en 1697. Blijkens deze situatietekening maakt een deel van de druk bereden provinciale verbindingsweg N279 deel uit van de inrichting. De Afdeling constateert verder dat in het bij de aanvraag gevoegde en van het bestreden besluit deel uitmakende akoestisch onderzoek is gesteld dat de inrichting is gepland op de percelen met de kadastrale aanduiding 511 en 519. In dit akoestisch onderzoek noch in het bestreden besluit is de geluidbelasting van het wegverkeer van de N279, voorzover deze blijkens de bij de aanvraag behorende situatietekening deel uitmaakt van de inrichting, meegenomen als een geluidbron die bijdraagt aan de directe geluidhinder. Blijkens de stukken is deze geluidbron aangemerkt als indirecte geluidhinder.

Gezien het voorgaande zijn de aanvraag en de daarbij gevoegde situatietekening en het akoestisch onderzoek wat betreft de grenzen van de inrichting onderling tegenstrijdig. Vanwege de tegenstrijdigheid betreffende de grenzen van de inrichting hebben verweerders niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu mogelijk te maken. Door inhoudelijk te beslissen op de aanvraag hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart, en met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.3. Appellanten sub 1 en 3 hebben gronden aangevoerd met betrekking tot de situering van de LPG-installatie.

2.3.1. Verweerders hebben in het besluit overwogen, dat het vulpunt van de LPG-installatie mede met het oog op toekomstige ontwikkelingen verplaatst dient te worden teneinde te voldoen aan het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit). In verband hiermee is voorschrift 5.4 aan de vergunning verbonden. Ingevolge dit voorschrift moet het vulpunt van de ondergrondse LPG-tank ten opzichte van de op de bij de aanvraag behorende tekening aangegeven positie 6 meter in noordelijke richting en 10 meter in westelijke richting zijn verplaatst.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat blijkens de stukken en de ter zitting gegeven toelichting daarop zowel de op de bij de aanvraag gevoegde situatietekening aangegeven locatie voor het LPG-vulpunt, als de nadien in het bestreden besluit omschreven gewijzigde locatie voor dit vulpunt, in strijd zijn met de eisen gesteld in het Besluit. Verweerders hebben - in het kader van de procedure inzake het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening - dit erkend, zij het dat naar hun mening situering op een andere locatie mogelijk is. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid.

2.4. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van appellanten en het standpunt van verweerders over de mogelijkheid om te voldoen aan het Besluit geen verdere bespreking meer.

2.5. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerders in de door appellanten sub 1 opgevoerde kosten voor het deskundigenrapport van Cauberg Huygen van 11 september 2001 reeds veroordeeld zijn in het kader van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, gegeven de uitspraak van 8 januari 2002.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Roggel en Neer van 23 juli 2001, kenmerk 5/2000;

III. veroordeelt burgemeester en wethouders van Roggel en Neer in de door appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten, voor appellanten sub 1 tot een bedrag van € 694,11, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellanten sub 2 tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellant sub 3 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Roggel en Neer te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Roggel en Neer aan appellanten sub 1, 2 en 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (ieder € 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

191-389.