Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
200103376/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2002/140
Module Ruimtelijke ordening 2002/3406

Uitspraak

200103376/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Duma

Container Service B.V.", gevestigd te Den Haag,

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2001, kenmerk DWM/2001/4257, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Duma Container Service B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van ongesorteerd bedrijfsafval inclusief grof huishoudelijk afval en ongesorteerd bouw- en sloopafval, het op- en overslaan en bewerken van hout (A-, B- en C-kwaliteit), het op- en overslaan van glas, papier/karton, ferro en non-ferro metalen, zand, veegvuil en hoveniersafval en het op- en overslaan van steenachtige materialen (schoon puin) op een perceel aan de Poolsterstraat (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie AP, nummer 1525. Dit aangehechte besluit is op 28 mei 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 5 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2001, en appellante sub 2 bij brief van 6 juli 2001, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2001, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 augustus 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 november 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 18 december 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2002, waar zijn verschenen appellant sub 1 in persoon en vertegenwoordigd door mr. H. Stroeve, advocaat te Den Haag, appellante sub 2, vertegenwoordigd door N.J. van der Poel, R. Dekkers en A.N. van der Eijk, gemachtigden, en verweerders, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers en mr Ch. Pennekamp, beiden ambtenaar van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waarvoor de in het geding zijnde vergunning is verleend is een afvalverwerkend bedrijf. De inrichting is gelegen op het niet gezoneerde industrieterrein Binckhorst, aan het einde en in het verlengde van de Poolsterstraat, een doodlopende straat. De woning van appellant sub 1 staat naast het door hem geëxploiteerde bedrijf, op ongeveer 100 meter van de grens van de onderhavige inrichting, bij een bocht in de Poolsterstraat. Ook het bedrijf genaamd [bedrijf] is aan de Poolsterstraat gevestigd. De Poolsterstraat wordt gebruikt door vrachtwagens die van en naar de inrichting van appellante sub 2 en van en naar het bedrijf van Meeuwisse rijden, alsmede door overig verkeer. Het [bedrijf] zal worden verplaatst en worden gevestigd op een terrein naast dat van de inrichting van appellante sub 2.

2.2. Ter zitting heeft appellante sub 2 haar beroep ingetrokken, voorzover dat was gericht tegen het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.13.

2.3. Appellante sub 2 heeft bezwaren tegen de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.11, 4.12, 4.14 en 6.12.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders overeenstemming met appellante sub 2 hebben bereikt over dit bezwaar. Dit heeft ertoe geleid dat appellante sub 2 een aanvraag bij verweerders heeft ingediend voor een veranderingsvergunning. Hierbij hebben verweerders erkend dat zij deze voorschriften niet aan de vergunning hadden kunnen verbinden. Het bestreden besluit is, voorzover het deze voorschriften betreft, reeds hierom niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Appellant sub 1 heeft aangevoerd dat verweerders bij het vaststellen van de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de hinder die hij zal ondervinden van de vrachtwagens die langs zijn woning van en naar de inrichting rijden.

2.5.1. Verweerders hebben aangevoerd dat het vrachtwagenverkeer van en naar de inrichting direct buiten de grens van de inrichting is gemengd met het overige verkeer. De vrachtwagens hebben, naar zij stellen, ter hoogte van de grens van de inrichting de op de Poolsterstraat optredende snelheid van het verkeer bereikt, aangezien zij daar niet behoeven te remmen. Verweerders hebben zich daarom op het standpunt gesteld dat de geluidproductie van de vrachtwagens ter hoogte van de woning van appellant sub 1 niet aan de inrichting kan worden toegerekend, zodat met de door appellant sub 1 gevreesde hinder bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden geen rekening behoefde te worden gehouden.

2.5.2. Verweerders hebben bij de beoordeling van het geluid aansluiting gezocht bij paragraaf 5.10.1 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Deze paragraaf houdt onder meer in dat voor indirecte hinder ten gevolge van mobiele geluidbronnen (bijvoorbeeld vrachtwagens) een beperking van de reikwijdte van de milieuvergunning geldt. Die reikwijdte is op verschillende manieren vast te stellen. In de overwegingen van de te verlenen vergunning moet duidelijk worden aangegeven welke methode gebruikt is opdat daarover geen rechtsonzekerheid kan ontstaan. Volgens de door verweerders in het onderhavige geval gebruikte methode blijft de afstand waarbinnen sprake is van indirecte hinder veroorzaakt door een bedrijf, beperkt tot die afstand, waarbinnen de herkomst van de veroorzakende geluidbronnen in redelijkheid kan worden teruggevoerd op de aanwezigheid van het bedrijf in kwestie. Toepassing van deze methode houdt voor transportverkeer van en naar inrichtingen in, dat de reikwijdte van de milieuvergunning beperkt blijft tot die afstand, waarbinnen voertuigen (met in achtname van de maximum snelheid) de ter plaatse optredende snelheid hebben bereikt. Voor de beoordeling van indirecte hinder wordt verwezen naar de circulaire van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer".

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 1997, JM 1998/19) worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich in ieder geval ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer zal onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de in het voorliggende geval gehanteerde methode niet past binnen het in deze uitspraak neergelegde criterium en dat verweerders met het hanteren van deze methode in dit geval, blijk hebben gegeven van een onjuiste uitleg van de Wet milieubeheer.

2.5.3. Als gevolg van de wijze waarop de terreinen van het nieuwe [bedrijf] en van appellante sub 2, naar ter zitting is gebleken, zullen worden ingericht, leidt de Afdeling af dat na de bocht in de Poolsterstraat waar de woning van appellant sub 1 staat vrachtwagens van en naar de inrichting van appellante sub 2 rijden en vrachtwagens van en naar het nieuwe [bedrijf] zullen rijden. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders met het oog hierop onvoldoende onderzoek gedaan naar de samenstelling van deze verkeersstromen ter plekke van deze woning nu niet zonder meer duidelijk is dat aldaar het aan- en afrijdend verkeer in het heersend verkeersbeeld van de doodlopende weg is opgenomen. Dat de woning van appellant sub 1 op het niet gezoneerde industrieterrein Binkhorst staat neemt niet weg dat verweerders dit onderzoek hadden moeten verrichten en de resultaten hiervan bij de beoordeling van de vergunningaanvraag hadden moeten betrekken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en ontbeert in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht een deugdelijke motivering.

2.6. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van appellant sub 1 en van appellante sub 2 gegrond. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Aangezien de geluidaspecten bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in dit geval vergunning kan worden verleend, strekt deze vernietiging zich uit tot het gehele besluit. Hetgeen appellant sub 1 overigens heeft aangevoerd, behoeft onder deze omstandigheden geen bespreking.

2.7. Verweerders dienen met betrekking tot het beroep van appellant sub 1 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat de door deze appellant gemaakte kosten betreft die hij heeft gemaakt in verband met het opstellen van een akoestisch rapport door Tebodin, Consultants & Engineers, van welke kosten hij vergoeding heeft verzocht, overweegt de Afdeling dat dit rapport dateert van 16 november 2000, derhalve van vóór het bestreden besluit. Het rapport is opgesteld in het kader van de bij verweerders ingediende bedenkingen tegen het ontwerp-besluit. Nu het rapport niet is opgesteld ten behoeve van de behandeling van het beroep komen de kosten hiervan niet voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot het beroep van appellante sub 2 is van proceskosten niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 10 mei 2001, km DWM/2001/4257;

III. veroordeelt gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 102,10 voor appellant sub 1 en € 204,20 voor appellante sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. Th.G. Drupsteen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002

164.