Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
29-05-2002
Zaaknummer
200103480/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 108 met annotatie van C.M. Bitter
Module Ruimtelijke ordening 2002/2056
O&A 2003, p. 132 (nr.1)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200103480/1.

Datum uitspraak: 29 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 6 juni 2001 in het geding tussen:

appellante

en

burgemeester en wethouders van Epe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 1996 hebben burgemeester en wethouders van Epe (hierna: burgemeester en wethouders), voor zover hier van belang, op de Dorpsstraat tussen de Deventerstraat en de Kosterstraat te Vaassen eenrichtingsverkeer ingesteld in zuidelijke richting voor gemotoriseerd verkeer.

Bij besluit van 16 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van dezelfde datum hebben burgemeester en wethouders geweigerd appellante nadeelcompensatie toe te kennen voor schade als gevolg van verkeersbesluiten van 20 augustus 1996 en (overige) handelingen.

Bij besluit van 14 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de verkeersbesluiten ongegrond, en voor zover gericht tegen feitelijke handelingen in het kader van de herinrichting, niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 18 mei 2000, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 6 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) de tegen de besluiten van 16 juli 1997 en 14 augustus 2000 door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij op 11 juli 2001 bij de Raad van State ingekomen faxbericht hoger beroep ingesteld. De gronden van dit beroep zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2001. Deze stukken zijn aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, bijgestaan door [appellant], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A. Weerts, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het door appellante gemaakte bezwaar tegen de verkeersbesluiten is bij besluit van 16 juli 1997 beslist. In verband hiermee leest de Afdeling de beslissing op bezwaar van 14 augustus 2000 aldus, dat deze inhoudt de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante, gericht tegen de weigering appellante nadeelcompensatie te verstrekken voor schade ten gevolge van die verkeersbesluiten.

2.2. Appellante stelt met name schade te hebben geleden als gevolg van de instelling van eenrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer in zuidelijke richting op het gedeelte van de Dorpsstraat, waaraan het garagebedrijf van appellante is gelegen. Dit besluit is gebaseerd op een door de raad van de gemeente Epe in 1995 vastgestelde structuurvisie. Deze structuurvisie strekt ertoe de verblijfsfunctie van de Dorpsstraat te versterken en de aantrekkelijkheid en uitstraling van het winkelgebied te vergroten door het terugbrengen van de verkeersintensiteit in het centrum van Vaassen.

2.3. Burgemeester en wethouders hebben hun afwijzende standpunt inzake de toekenning van nadeelcompensatie aan appellante gebaseerd op een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van april 1997. Naar aanleiding van de vraag van burgemeester en wethouders of het bezwaarschrift van appellante aanleiding vormde haar eerdere advies te herzien, heeft de SAOZ nogmaals advies uitgebracht op

20 september 1999, welk advies zij desgevraagd heeft toegelicht bij brief van 6 januari 2000.

Appellante heeft over de omvang van de door haar geleden schade een rapport van 5 april 2000 ingediend, opgesteld door het Buro voor Administratie en Adviezen Teoh (hierna: het BAAT-rapport).

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat appellante door het verkeersbesluit niet zodanig zwaar is getroffen dat het daaruit voortvloeiende nadeel redelijkerwijze niet te haren laste behoort te blijven. Daartoe heeft zij erop gewezen dat niet vaststaat dat alle negatieve bedrijfsontwikkelingen zijn toe te schrijven aan het verkeersbesluit en dat bovendien de functie van de Dorpsstraat als doorgaande weg reeds door de realisering van een omleidingsweg eind 1996 in betekenende mate is verminderd.

2.5. Appellante bestrijdt dit oordeel tevergeefs. Hoewel de brutomarges van appellantes bedrijf in de jaren 1997 en 1998 ontegenzeggelijk zijn gedaald, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onevenredige, buiten haar normaal maatschappelijk risico vallende en redelijkerwijs niet ten laste van haar komende schade betrof als gevolg van het verkeersbesluit tot het instellen van eenrichtingsverkeer in de Dorpsstraat. Voor 1997 maakte het bedrijf van appellante ook reeds geen winst. Voorts is ter zitting is van de zijde van appellante benadrukt dat de realisering van de omleidingsweg voor met name de klandizie uit Apeldoorn, die het grootste deel vormt van haar klantenbestand, grote negatieve gevolgen heeft gehad. Dit geschil strekt zich echter niet uit tot het - niet door appellante aangevochten - besluit tot het realiseren van de omleidingsweg. De stelling in het BAAT-rapport dat de daling van de brutomarges desalniettemin voor 30% te wijten zou zijn aan de instelling van eenrichtingsverkeer is niet gemotiveerd en heeft burgemeester en wethouders derhalve niet tot een ander standpunt hoeven brengen dan zij hebben ingenomen. Voorts heeft appellante op zichzelf niet betwist het door de SAOZ ingenomen en door burgemeester en wethouders overgenomen standpunt dat met name de verkoop van occasions gevoelig is voor een vermindering van de bereikbaarheid en het aantal passanten. Juist de omzet in gebruikte auto’s vertoont echter een sterk wisselend beeld en is met name in 1997 – het jaar dat het bedrijf door uitvoering van de bestreden maatregel het slechtst bereikbaar was – gestegen. Dat die stijging zou zijn veroorzaakt door de verkoop zonder winst van zogeheten marge-auto’s wordt niet gestaafd door de in de laatste SAOZ-rapporten genoemde cijfers, die erop wijzen dat ook in 1997 op gebruikte auto’s winst werd behaald en dat in 1998 de winst op gebruikte auto’s zou zijn gestegen. Gezien de tegengestelde conclusies die de SAOZ mede op grond van door BAAT verstrekte cijfers en die BAAT in zijn eigen rapport getrokken heeft, hebben burgemeester en wethouders aan het BAAT-rapport niet het belang hoeven hechten dat appellante daaraan gehecht wil zien.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Haverkamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002

306.