Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
29-05-2002
Zaaknummer
200105142/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Provinciewet
Provinciewet 122
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/713
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200105142/1.

Datum uitspraak: 29 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap "Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V.", gevestigd te Zandvoort,

appellante,

en

gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2001, kenmerk 2001-2228, hebben verweerders aan appellante een last onder dwangsom, als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De last onder dwangsom strekt tot beëindiging van overtreding van voorschrift 5.12, verbonden aan de aan Circuit Park Zandvoort Beheer B.V. verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer van 12 september 1997.

Bij besluit van 4 september 2001, kenmerk 2001-21865, verzonden op 6 september 2001, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard; zij hebben het besluit van 15 februari 2001 deels herroepen en een nieuwe last onder dwangsom geformuleerd. De dwangsom is vastgesteld op ƒ 2500,00/€ 1134,45 voor iedere dag waarover geen resultaten van de in voorschrift 5.11 bedoelde metingen zijn overgelegd. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op ƒ 25000,00/€ 11344,50. Aan het besluit is een begunstigingstermijn verbonden van drie dagen. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2002, waar appellante vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. R.T. de Grunt, H.J. Janssen en C.P. Horstman, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een inrichting met een auto-en motorcircuit dat ruimte biedt voor publieksactiviteiten ten behoeve van wedstrijden, trainingen, scholing, beproeving, demonstratie, recreatie-en filmproductie.

2.2. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.3. In geding is of verweerders appellante terecht hebben aangemerkt als overtreder als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante stelt dat de houder van de vergunning overtreder is en niet appellante.

2.4. De Afdeling stelt vast dat op 12 september 1997 verweerders de revisievergunning hebben verleend aan Circuit Park Zandvoort Beheer B.V.. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.11 dienen, voor zover hier van belang, gedurende de races en de daaraan voorafgaande trainingen door of vanwege vergunninghoudster geluidmetingen te worden uitgevoerd.

Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is appellante belast met de exploitatie van het auto-en motorcircuit. Zij voert onder meer gedurende de races en de daaraan voorafgaande trainingen de geluidmetingen uit. Appellante heeft daarnaast aan een derde opdracht gegeven te bezien of de software kan worden verbeterd. Circuit Park Zandvoort B.V. is de beheermaatschappij en erfpachter van het terrein van de inrichting.

Gelet op de zeggenschap en betrokkenheid van appellante met betrekking tot de activiteiten in de inrichting mochten verweerders naar het oordeel van de Afdeling ervan uitgaan dat de inrichting niet alleen door Circuit Park Zandvoort Beheer B.V. werd gedreven, maar ook door appellante. Verweerders waren dan ook bevoegd appellante een dwangsom op te leggen.

2.5. Appellante stelt dat verweerders ten onrechte hebben geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van voorschrift 5.12. In dat verband voert zij aan dat zij bij brieven van 26 april 2000 en 25 september 2000 meetresultaten heeft overgelegd en zij mitsdien voldoet aan voorschrift 5.12. Hierbij stelt zij dat niet relevant is dat de resultaten niet bruikbaar zijn.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting stellen verweerders zich op het standpunt dat zij geen meetresultaten hebben ontvangen van de verreden races op 21 april 2000 en 24 september 2000 en er dus sprake is van een overtreding van voorschrift 5.12.

Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.12 dienen de resultaten van de in voorschrift 5.11 bedoelde geluidmetingen binnen twee weken na uitvoering van de metingen te worden overgelegd aan gedeputeerde staten. Ingevolge voorschrift 5.11, dienen, voorzover hier van belang, gedurende de races en de daaraan voorafgaande trainingen door of vanwege vergunninghoudster geluidmetingen te worden uitgevoerd, waarbij het equivalente geluidniveau wordt vastgesteld.

Bij brief van 26 april 2000 heeft appellante de geluidmeetresultaten van de Paasraces, welke plaatsvonden van 21 tot en met 24 april 2000, overgelegd. De gegevens van 21 april 2000 ontbraken vanwege een foute koppeling van de geluidmeetcomputer aan het netwerk. Bij brief van 25 september 2000 heeft appellante aan verweerders medegedeeld dat de geluidmetingen van 24 september 2000 ontbreken vanwege een virtuele overgang van zomer-naar wintertijd.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders terecht hebben geconcludeerd dat sprake is van overtreding van voorschrift 5.12. Verweerders waren derhalve bevoegd om een last onder dwangsom aan de overtreder op te leggen.

2.6. Appellante stelt voorts dat geen sprake is van verwijtbaarheid en verweerders ten onrechte geen onderscheid maken in de oorzaak van de storingen van het registratiesysteem. In dat verband stelt zij dat in april 2000 sprake was van een computerstoring en in september er een probleem was met de software.

Blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting stellen verweerders zich op het standpunt dat het niet relevant is of sprake is van schuld. Daartoe overwegen zij dat de last onder dwangsom is opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtredingen.

De Afdeling overweegt dat appellante in beginsel verantwoordelijk is voor de activiteiten die in haar inrichting plaatsvinden. Hiertoe behoort ook het onderhouden en zonodig verbeteren van het registratiesysteem. Niet is gebleken dat verweerders zich op onjuiste gronden op het standpunt hebben kunnen stellen dat het in strijd met voorschrift 5.12 niet overleggen van de resultaten van de geluidmetingen aanleiding kan zijn een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van de overtreding. De beroepsgrond faalt.

2.7. Daarnaast is appellante van mening dat verweerders niet in redelijkheid de last onder dwangsom hadden kunnen opleggen. Zij betoogt in dit kader onder meer dat verweerders op grond van de overgelegde meetresultaten van de andere evenementendagen zich een beeld kunnen vormen omtrent de geluidproductie.

Blijkens het bestreden besluit zijn verweerders van mening dat naleving van voorschrift 5.12 noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Door het niet overleggen van de meetresultaten is de werkelijke geluidproductie op die betreffende dagen niet meer te achterhalen.

Het bestreden besluit geeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende grond voor de conclusie dat verweerders ten tijde van het besluit van 15 februari 2001 in redelijkheid van hun bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom gebruik hebben kunnen maken. In dat verband overweegt de Afdeling in het bijzonder dat naleving van het voorschrift van belang is om vast te kunnen stellen of de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften worden nageleefd. De beroepsgrond slaagt niet.

2.8. Voorts stelt appellante dat de begunstigingstermijn te kort is. In dat verband voert zij aan dat zij niet binnen drie dagen de storingen in het registratiesysteem kan oplossen.

Blijkens het verhandelde ter zitting stellen verweerders zich op het standpunt dat voorschrift 5.12 een gedragsvoorschrift betreft, dat appellante verplicht de resultaten van de meetgegevens zorgvuldig te verzamelen en aan verweerders te overleggen. De wijze waarop deze gegevens worden verkregen is niet in dit voorschrift vastgelegd en in dit kader niet relevant. In dit licht bezien is een begunstigingstermijn van drie dagen niet onredelijk, aldus verweerders.

Gelet hierop en op de aard van het voorschrift, is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid de begunstigingstermijn hebben kunnen stellen.

Dit beroepsonderdeel faalt.

2.9. Appellante betoogt verder dat het bedrag van de dwangsom te hoog is, omdat volgens haar sprake is van een administratieve verplichting.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft, gelet op de aan het in werking zijn van de inrichting verbonden geluidproblematiek, de naleving van voorschrift 5.12 een niet te onderschatten betekenis. Er is geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002

179-414.