Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE3303

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2002
Datum publicatie
29-05-2002
Zaaknummer
200104644/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2002/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104644/1.

Datum uitspraak: 29 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Voortgezet Onderwijs Kennemerland", gevestigd te Beverwijk,

appellante,

en

de stichting "Stichting Participatiefonds voor het onderwijs",

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2000 heeft verweerster het verzoek van appellante om de uitkeringskosten, die bij haar opkomen als gevolg van een ontslag van een leerkracht met ingang van 1 augustus 2000, voor haar rekening te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 27 juli 2001 heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 november 2001 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V.G.A. Kellenaar, gemachtigde, en verweerster, vertegenwoordigd door mr. L.G. Kok en mr. M. Visser, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) - voorzover hier van belang - worden op de ingevolge artikel 96m van de WVO vastgestelde vergoeding in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de VWO, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

Ingevolge artikel 98b, eerste lid, van de WVO - voorzover hier van belang - is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge artikel 98b, vierde lid, van de WVO - voorzover hier van belang - stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 96o, derde lid.

2.1.2. Verweerster is de in artikel 98b van de WVO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 2000-2001 het “Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs voor het schooljaar 2000-2001” (hierna: het Reglement) opgesteld, dat in werking getreden is op 1 februari 2000 en betrekking heeft op ontslagen per of na 1 augustus 2000.

Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid te doen wat van hem mag worden verwacht ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.2 van het Reglement wordt, indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de in de toelichting genoemde activiteiten, het vergoedingsverzoek afgewezen.

Ingevolge artikel 4.3 van het Reglement - voor zover hier van belang - stelt verweerster, in het kader van een ontslag op grond van artikel 9 bij einde vast dienstverband, de eisen als bedoeld in de categorieën I, II, III en IVA die zijn opgenomen in de toelichting bij het Reglement en in het formulier ‘Opgave medewerker’ door middel waarvan het bevoegd gezag om vergoeding van de uit het ontslag voortvloeiende kosten kan verzoeken. Het bevoegd gezag informeert verweerster schriftelijk op welke wijze aan de inspanningsverplichting is voldaan.

Ingevolge artikel 6.2 van het Reglement wordt een verzoek om vergoeding afgewezen indien niet is voldaan aan het gestelde in artikel 4.

2.1.3. In de toelichting op artikel 4 heeft verweerster de inspanningsverplichting bij ontslag uit een vast dienstverband, wat betreft in categorie IVA (“hulp bij behoud van werk, extern”) en voorzover hier van belang, onderverdeeld in een aantal activiteiten, te weten: extern een andere functie zoeken, ondersteunen van betrokkene bij het zoeken naar een andere functie, inschakelen van de arbeidsvoorziening en doen van een voormelding van het ontslag bij de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor de Overheid en onderwijs (hierna: de USZO). Voorzover in artikel 4 van het Reglement naar dit onderdeel van de toelichting wordt verwezen, moet het, gelet op artikel 98b, vierde lid, van de WVO en in aanmerking genomen dat het zich, gezien de aard en bewoordingen ervan, daarvoor leent, als algemeen verbindend voorschrift worden aangemerkt.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting omdat ze het ontslag niet heeft voorgemeld bij de USZO.

Appellante voert aan dat zij niet heeft voorgemeld omdat het Reglement, waarin de voormelding anders dan in voorgaande reglementen als vereiste is opgenomen, niet op deugdelijke wijze is bekendgemaakt. Uit de aanbiedingsbrief bij het Reglement zou namelijk niet zijn gebleken dat de inspanningsverplichting was aangescherpt.

Hoewel de zinsnede in de aanbiedingsbrief over de wijziging met betrekking tot artikel 4 van het Reglement wellicht krachtiger geformuleerd had kunnen worden, kan niet worden gesteld dat de brief hierover onvoldoende duidelijk is. Er wordt immers aangegeven dat een ander onderscheid is aangebracht tussen de categorieën en dat het aantal te ondernemen activiteiten is toegenomen. Wat daar verder van zij, nu is gebleken dat appellante het Reglement heeft ontvangen moet worden geoordeeld dat zij met de inhoud daarvan bekend was, dan wel moest zijn, en dat verweerster haar besluit met recht op het Reglement heeft gebaseerd.

2.3. Verder voert appellante aan dat verweerster een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 4, tweede lid, van het Reglement, nu appellante aan alle voorwaarden voor toewijzing van het vergoedingsverzoek heeft voldaan op de voormelding na. Daardoor heeft zij naar haar mening voldoende uitvoering gegeven aan de op haar rustende inspanningsverplichting. Ook stelt zij dat niet in redelijkheid van haar verwacht kon worden dat zij een voormelding zou doen omdat zij tot het laatste moment meende dat de betrokken leraar na ontslag in dienst zou treden bij de school waar hij, in het kader van de door appellante geboden ondersteuning bij het zoeken naar ander werk, was gedetacheerd.

Dit betoog faalt. Verweerster heeft in de toelichting op artikel 4, in het bijzonder in de daarin opgenomen beschrijving van de categorieën, nadere invulling gegeven aan de inspanningverplichting. Nu de voormelding bij de USZO deel uitmaakt van de op het ontslag van toepassing verklaarde categorie IVA en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat voormelden niet van haar kon worden gevergd, heeft verweerster zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet datgene heeft gedaan wat in redelijkheid van haar mocht worden verwacht ter voorkoming van werkloosheid.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2002

66-413.