Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200104448/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200104448/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

burgemeester en wethouders van Waddinxveen,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2001, kenmerk 01-312, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “MOVit Carrosserie & Wagenbouw B.V.” een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting bestemd voor het construeren en samenstellen van bedrijfsvoertuigen op het adres Plasweg 16-2 te Waddinxveen. Dit aangehechte besluit is op 26 juli 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 5 september 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 oktober 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 februari 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2002, waar appellanten, van wie [appellanten] in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door N. Heemskerk, R.F.J. Bakker, M. Kijzers, gemachtigden, en mr. W. van Valen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. C.M. Emeis, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Verweerders hebben bij besluit van 9 mei 2000 krachtens de Wet milieubeheer een oprichtingsvergunning verleend voor de inrichting. Het thans bestreden besluit heeft betrekking op veranderingen van de inrichting in die zin dat voertuigbewegingen op het achterterrein zullen plaatsvinden, dat van een heftruck gebruik zal worden gemaakt, dat de overheaddeuren van het pand geopend zullen worden voor het doorlaten van personen en goederen en dat in de avondperiode sporadisch zal worden gewerkt.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten, omwonenden van de inrichting, voeren aan dat het gebruik van de heftruck als een nieuwe activiteit moet worden gezien en dat verweerders om die reden bij de verlening van de vergunning het referentieniveau van het omgevingsgeluid hadden moeten betrekken. Volgens appellanten bedraagt het referentieniveau van het omgevingsgeluid 33 tot

41 dB(A), zodat het gebruik van de heftruck dient te worden getoetst aan een grenswaarde van 40 dB(A). Voorts betogen zij dat de gestelde equivalente geluidgrenswaarde van 40 dB(A) voor de avondperiode te ruim is.

2.3.1. Ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder vanwege de verandering van de inrichting hebben verweerders in het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1 bepaald dat het geluidniveau van de uitbreiding samen met het geluidniveau van het overige deel van de inrichting niet meer mag bedragen dan de geluidniveaus, zoals opgenomen in de bij besluit van 9 mei 2000 verleende oprichtingsvergunning. In voorschrift J.1, verbonden aan de oprichtingsvergunning, zijn grenswaarden voor het equivalente geluidniveau neergelegd. Het equivalente geluidniveau vanwege de inrichting mag op de gevels van woningen van derden op maandag tot en met vrijdag niet meer bedragen dan 45 dB(A) in de dagperiode en 40 dB(A) in de avondperiode.

Nu de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen grotere geluidbelasting mogelijk maakt dan die welke op grond van de bij besluit van 9 mei 2000 verleende en inmiddels onherroepelijke oprichtingsvergunning is toegestaan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1 niet in redelijkheid toereikend hebben kunnen achten. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.4. Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft zijn verweerders uitgegaan van een door Adviesbureau Peutz & Associes B.V. verricht akoestisch onderzoek naar de te verwachten geluidbelasting vanwege de inrichting, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2000 (aangevuld op 6 maart 2001). Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek hebben verweerders zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan, indien de in de vergunning voorgeschreven beperkingen en maatregelen in acht worden genomen.

2.5. Appellanten stellen dat verweerders zich bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte hebben gebaseerd op genoemd geluidrapport. Naar hun mening geeft het geluidrapport geen juist beeld van de te verwachten geluidbelasting van de inrichting. Verweerders hebben op basis van dit rapport dan ook niet mogen concluderen dat de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, aldus appellanten. Zij voeren in dit verband de volgende beroepsgronden aan.

2.5.1. Appellanten stellen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidimmissie op de gehele gevel van hun woningen. In dit verband voeren zij aan dat ook in de dagperiode mensen verblijven op de bovenverdiepingen van hun woningen.

In het aan de oprichtingsvergunning verbonden voorschrift J.3 is bepaald dat de controle of berekening van de geluidniveaus moet geschieden overeenkomstig de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai:

IL-HR-13-01”, uitgave 1981 (hierna: de Handleiding). Daarbij dient volgens verweerders de beoordelingshoogte in de dagperiode 1,5 meter te bedragen en in de avondperiode 5 meter, ter bescherming van slaapruimten. Verweerders betogen dat zij wat de waarneemhoogte betreft aansluiting hebben gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 1998, waarbij zij zijn uitgegaan van het gegeven dat in de dagperiode de buitenruimten en de woonkamers voornamelijk de te beschermen ruimten zijn. Zij hebben de door hen gehanteerde beoordelingshoogte gerelateerd aan de plaats en de hoogte waar geluidhinder wordt ondervonden dan wel kan worden ondervonden in de desbetreffende periode.

Gelet op de in de door verweerders als uitgangspunt genomen Handreiking voor standaard eengezinswoningen aanbevolen beoordelingshoogte van 1,5 meter in de dagperiode hebben verweerders zich – nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat dit uitgangspunt in dit geval niet zou mogen worden gehanteerd - naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze hoogte maatgevend is voor de te beoordelen periode.

2.5.2. Appellanten stellen verder dat de in het geluidrapport gehanteerde bronvermogens van de heftruck niet juist zijn, omdat geen rekening is gehouden met het klepperen van de lepels van de heftruck. Voorts stellen zij dat de bronvermogens van de ventilatoren op het dak ontbreken. Daarnaast betogen zij dat het gehanteerde binnenniveau in de hal te laag is, omdat daar met hamers op metaal wordt geslagen. Tevens ontbreken de piekbronvermogens van het ontluchten van vrachtwagens op het achterterrein en van het gebruik van de afvalbak voor metaal, aldus appellanten.

Uit de stukken blijkt dat de door diesel aangedreven heftruck op het buitenterrein over een klinkerverharding rijdt, waardoor de lepels van de heftruck kunnen klepperen. Om de hoge piekniveaus die door het klepperen van de lepels worden veroorzaakt, te voorkomen, hebben verweerders aan de vergunning voorschrift 2.5 verbonden. In dit voorschrift is bepaald dat maatregelen moeten worden getroffen die het klepperen van de lepels tegengaan. Ter zitting is gebleken dat inmiddels een rubberen stootrand is aangebracht waardoor het klepperende geluid niet meer optreedt. Het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op het feit dat de in het geluidrapport gehanteerde bronvermogens zijn gebaseerd op meetresultaten van vergelijkbare heftrucks in vergelijkbare situaties acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat deze bronvermogens representatief zijn voor de heftruck die in de inrichting wordt gebruikt.

Daarnaast is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, voldoende aannemelijk geworden dat de ventilatoren op het dak geen relevante bijdrage leveren aan de geluidbelasting, zodat deze niet in het akoestisch model behoefden te worden betrokken.

Verder blijkt uit de stukken dat in het akoestisch model een bronniveau van 98,3 dB(A) is opgenomen van werkzaamheden in de hal met geopende deuren. Mede gelet op de deskundigenbericht moet worden aangenomen dat dit bronniveau zodanig is dat het slaan met hamers op staal hierin is verdisconteerd. Ook in zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidrapport een onvolledig en onbetrouwbaar beeld geeft van de optredende geluidbelasting. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, voorzover appellanten ter zitting hebben gesteld dat bij geopende deuren piekniveaus zullen ontstaan van 78 dB(A), zij deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt.

Voorts overweegt de Afdeling dat in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting die optreedt bij het ontluchten van de remsystemen van vrachtwagens op het achterterrein en bij het gebruik van de afvalbak voor metaal, niet dusdanig is dat de gestelde piekgeluidgrenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode wordt overschreden. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat deze conclusie onjuist is.

2.5.3. Appellanten voeren verder aan dat de dichtheid van de bronnen op het buitenterrein te laag is. In dit verband stellen zij dat er in het akoestisch onderzoek van uit is gegaan dat de heftruck en de vrachtwagens midden op het terrein staan, terwijl dit in werkelijkheid meer varieert. Verder stellen zij dat bij de modellering de gebouwen 1 en 3 ten onrechte zijn gekoppeld.

Blijkens de stukken is bij het bepalen van de dichtheid van de bronnen op het buitenterrein aansluiting gezocht bij de Handleiding. In het rekenmodel zijn de bewegende bronnen op het buitenterrein, zoals de heftruck, op verschillende posities ingevoerd. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten dienaangaande ter zitting naar voren hebben gebracht geen reden om aan te nemen, mede gelet op het deskundigenbericht, dat de Handleiding op dit punt onjuist is toegepast dan wel dat het geluidrapport in zoverre een onnauwkeurig beeld geeft.

Wat de modellering van de gebouwen 1 en 3 betreft, overweegt de Afdeling dat verweerders erkennen dat het koppelen van deze gebouwen modeltechnisch niet juist is. Dit betekent volgens verweerders echter niet dat hierdoor aan de naleefbaarheid van de gestelde geluidgrenswaarden hoeft te worden getwijfeld. Dit standpunt komt de Afdeling, gelet op de aanvullende berekeningen van verweerders die de stelling ondersteunen, niet onjuist voor.

2.5.4. Appellanten stellen verder dat in het verleden ook in de avondperiode luidruchtige activiteiten op het terrein van de inrichting plaatsvonden. Daarmee is volgens appellanten in het akoestisch onderzoek onvoldoende rekening gehouden.

In de aanvraag is vermeld dat er ’s avonds incidenteel op kantoor kan worden overgewerkt. Naast deze activiteiten worden, zo staat in het geluidrapport beschreven, in de avondperiode geen luidruchtige werkzaamheden verricht. Nu het bij de aanvraag behorende geluidrapport op grond van voorschrift 1.1 deel uitmaakt van de vergunning, is het niet toegestaan om dergelijke werkzaamheden ’s avonds uit te voeren. In het geluidrapport kon dan ook worden volstaan met een berekening van de geluidbelasting van de bewegingen van een tweetal personenwagens ten behoeve van het verrichten van kantoorwerkzaamheden gedurende de avondperiode.

2.5.5. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat het akoestisch onderzoek voor het overige niet juist zou zijn uitgevoerd dan wel dat de uit dit onderzoek afgeleide resultaten niet juist zouden zijn, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders op basis hiervan niet hebben mogen concluderen dat de inrichting na het treffen van de voorgeschreven maatregelen, waaronder de plaatsing van een geluidscherm van 2,20 meter hoog, binnen de gestelde geluidgrenswaarden in werking kan zijn.

Met betrekking tot het door appellanten geconstateerde verschil tussen het toegelaten equivalente geluidniveau en de blijkens tabel 3 van het geluidrapport berekende geluidbelasting, is de Afdeling van oordeel dat deze overschrijding van het toegelaten equivalente geluidniveau met 1 dB(A) zo gering is dat deze blijft binnen de marge van mogelijke rekenonnauwkeurigheid en dat daaraan om die reden geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

2.6. Voorzover appellanten verwachten dat de vergunning niet zal worden nageleefd - in het bijzonder dat de toegestane tijd voor het gebruik van de heftruck op het achterterrein en voor de openstelling van de deuren van de hal zal worden overschreden - overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving van de vergunning betreft. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. De Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de Wet milieubeheer voorziet overigens in maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

334.