Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2002:AE2837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2002
Datum publicatie
22-05-2002
Zaaknummer
200102812/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200102812/1.

Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 13 april 2001 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van Waterschap Mark en Weerijs.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2000 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Mark en Weerijs (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder], op grond van de Keur oppervlaktewateren Mark en Weerijs en de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 1997, ontheffing verleend voor het dempen en vergraven van kavelsloten nabij de [locatie].

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van commissie behandeling bezwaren waterschap Mark en Weerijs van 6 juni 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 13 april 2001, verzonden op 27 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 september 2001 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2001, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigden], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. M.A.A. Strikker en drs. ing. H.C. van Dis, ambtenaren bij het waterschap, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9.10.1, eerste lid, onder a van de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant is het verboden een oppervlaktewater aan te leggen, te verleggen, geheel of gedeeltelijk te dempen, of in de afmetingen daarvan veranderingen aan te brengen. Ingevolge artikel 9.11.1 van de verordening kan door de kwantiteits-beheerder van deze verbodsbepaling ontheffing worden verleend.

2.2. Ingevolge artikel 10 van de Keur op de oppervlaktewateren in het beheersgebied van het waterschap Mark en Weerijs, is het met betrekking tot oppervlaktewateren verboden enige handeling te verrichten waardoor het onderhoud, de aanvoer, de afvoer of berging van water wordt belemmerd.

Ingevolge artikel 12 van de Keur kan het dagelijks bestuur, rekening houdend met de toegekende functie(s) en de in het waterhuishoudingsplan en beheersplan vastgestelde doelstellingen ten aanzien van oppervlaktewateren, onder meer van het bepaalde in artikel 10 ontheffing verlenen.

2.3. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a en b, behoren tot de bevoegdheden van het dagelijks bestuur, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, in ieder geval de uitvoering en handhaving van wetten en verordeningen en de dagelijkse zorg voor alle werken of andere zaken die bij het waterschap in eigendom, beheer of onderhoud zijn.

2.4. Het in bezwaar gehandhaafde besluit tot ontheffing steunt op de overwegingen van het dagelijks bestuur dat [vergunninghouder], is gebaat bij demping van de sloot en appellant door de ontheffing niet in zijn belangen wordt geschaad, alsmede dat door het graven van een nieuwe sloot en het aanbrengen van een aantal kunstwerken, zoals in de ontheffing omschreven, de afwatering van appellants perceel voldoende is gewaarborgd.

2.5. Appellant heeft gesteld aanzienlijke schade te lijden door de handelingen van de vergunninghouder, die ook bij uitvoering conform de ontheffing niet kan worden vermeden. Hij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat voor een juiste uitvoering van de vergunning zijn eigendom moet worden aangetast.

2.6. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat niet is gebleken dat de omstreden waterloop niet geheel op het perceel van vergunninghouder kan worden aangelegd, dat uit het door appellant overgelegd onderzoeksrapport blijkt, dat de door appellant gestelde overlast in hoofdzaak is toe te schrijven aan de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat niet aannemelijk is gemaakt dat naast het stellen van de aan de ontheffing verbonden voorwaarden nog extra maatregelen noodzakelijk zijn.

De rechtbank heeft voorts met juistheid opgemerkt dat, indien en voorzover bij de uitvoering niet is gehandeld conform de ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften, appellant het dagelijks bestuur kan verzoeken handhavend op te treden.

2.7. De rechtbank is naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het dagelijks bestuur, rekening houdend met de in de Keur oppervlaktewateren Mark en Weerijs en de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 1997 genoemde belangen, in redelijkheid de gevraagde ontheffing heeft kunnen verlenen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes, en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Zijlstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

240.